Vakantie!

– Bij ons thuis was dat ieder jaar eind juni een overflow van pralinen, koffietassen en bloemen. Zot dat.
– Maar normaal toch, ook? Want uiteindelijk zorgen die een heel jaar voor uw kinders.
– Ja. Meer dan normaal.
– Schoonste beroep ter wereld.
– Schoonste beroep ter wereld. Echt.

We zaten in de auto en we hadden het net gehad over de bloemen die ik had meegenomen voor de juf, en het kaartje waar ik toch een dik half uur op had gekauwd. Nadat we hadden vastgesteld dat juf of meester zijn het schoonste beroep ter wereld is, vertelde ik dat ik niet op fb had gejubeld dat ik vakantie had. Omdat ik zag hoe mensen zich daaraan stoorden, bij mensen uit het onderwijs. “Hebt ge nu weeral verlof?” en “Twee maand? Dat is toch niet normaal?”

Ik heb ze niet, die twee maand. Vijf weken wel, en dat is ook veel. Maar ik gun het hen van harte, al die juffen en meesters die ze wel hebben. Ik mag namelijk een heel jaar lang toekijken, ergens in een hoekje van een klas, naar hoe ze hun kinderen meevoeren naar de wonderlijkste momenten. Ik kijk naar hoe ze onze studenten met dezelfde toewijding begeleiden als dat ze dat met hun kleuters of schoolkinderen doen. Ik hoor hen dingen zeggen als: “bij x kan je dat zo niet aanpakken, want die heeft nog wat problemen met kleuren benoemen. Maar hij is wel de beste teller van mijn klas.” Ik zie ze troosten, zorgen, stimuleren, leren, vragen stellen en antwoorden geven. Ik voel hoe ze veilige klasjes maken, waarin kinderen zichzelf kunnen zijn. Dat elke dag mogen meemaken, is — zonder enige twijfel — een ongelooflijke eer.

Viskes.

Ik zie ook hoe op ze eind juni zijn, doodmoe na nog een MDO en een extra teamvergadering. Want het is een sprint, naar die laatste dag: oudercontacten, proclamaties, kindvolgsystemen, voorbereiding voor volgend schooljaar, opruimen, afronden, afscheid nemen.
Als ik voel hoe lastig mijn kleine is, zo einde schooljaar, dan denk ik altijd: ocharme, die juf, ze heeft er zo twintig onder haar hoede, elke dag.

Dus het is van harte gegund, die twee maand. Aan alle leraars: have a splendid summer. Laad die batterijen op, zodat jullie in september weer kunnen doen wat jullie het beste kunnen: kinderen het leven leren kennen.

Noot tot slot voor wie boos wil worden in de comments: ook voor iedereen die niet in het onderwijs staat natuurlijk een zalige, zorgeloze, hete, vrolijke en eindeloze vakantie gewenst. Ik gun het u ook van harte, maar de post ging niet over u deze keer…

Elk einde is een begin.

Op 16 april 2012 nam ik deze foto, de puppie klaar voor haar allereerste schooldag.


Mira ziet dat wel zitten, die school.

Voor de archieven nam ik er elke keer eentje op de eerste dag van een nieuw jaar. En op de laatste. Altijd op dezelfde plaats.

Dit is vandaag, 30 juni 2015. Haar laatste dag in de kleuterschool. In september krijgt ze een nieuwe boekentas.


graduation

Show me the money! (maar dan beleefder)

Dierbare lezer. Sinds begin mei hebben wij hier op ons kruispunt een leefstraat, u weet dat ondertussen. Samen met de buren hebben we onze straat een stukje aan onszelf teruggeven. Enkele parkeerplaatsen veranderden in een ontmoetingsruimte. Over het asfalt kwam gras te liggen. Doorgaand verkeer werd geknipt. Doe daar nog een paar picknickbanken bij en het resultaat is redelijk onvoorstelbaar. Op een paar dagen tijd leerden we meer mensen uit de buurt kennen dan ooit tevoren. De kinders spelen zorgeloos op straat, er wordt voorgelezen, mensen babbelen met elkaar, en ge voelt dat mensen hier graag zijn.

Goeiemorgen! Wees welkom, vandaag. #tablederue #deooievaarvandemeibloem

Met heel wat buren zetten we ons in voor dit experiment: we houden de straat proper, we trachten met ieders noden en wensen zo goed mogelijk rekening te houden. Dat kost energie en tijd. Maar het loont de moeite: er gebeurt in onze straten iets unieks. Zelfs al lijkt het na enkele weken intussen doodnormaal.

Onze leefstraat maken we zélf mogelijk. Maar we krijgen heel wat steun van een prachtige organisatie: het Lab van Troje. Zij verzorgen de contacten met de stad Gent. Als er problemen zijn, dan zoeken zij met ons naar antwoorden. We vroegen hen kunstgras. We krégen het. Al dat moois kost geld. En daarom deze post.

U heeft misschien intussen onze leefstraat al eens bezocht (neen? een aanrader! er is _altijd_ koffie). Als we dit schone initiatief in de toekomst willen verder zetten, en gij wilt dat ook: steun ons, met een kleine bijdrage aan de Gentse leefstraten via www.crowdfunding.gent.

Want dat van vele kleintjes en een groot. En ook dat van take back the streets. En ook van: alstublieft?

Scharrelkinderen

Vooraf. Dit stond al even in draft, maar toen ik het schreef aarzelde ik om te publiceren. Ik had geen zin in “onverantwoorde moeder”-reacties. Ik las vandaag dit en nu doe ik het toch.

***

Ze zijn veel veranderd, op die paar weken, zei ze. Zo groot plots. Volwassener. Ook tegen elkaar.
Ik knikte, en nam een slok van mijn koffie, terwijl ik keek naar mijn dochter en haar zoon, die samen het park inliepen. Naar waar wij hen niet meer konden zien.
Tien minuten later stond ik recht, ging dag zeggen tegen de dochter en liep de straat uit, om verder te werken, aan mijn stageverslagen. Zoals altijd de laatste weken, kostte mij dat al mijn wilskracht. Haar daar laten en niet toekijken. Ik heb nog veel te leren.
Ik onderdrukte het ongeruste gevoel en zei enkel nog: als er iets is, bel maar. En als jullie allemaal naar huis gaan, stuur je haar dan ook naar huis?

Het is minder eenzaam, maar ik blijf overlopen van zelfmedelijden. #junischmuni #deooievaarvandemeibloem

Dit stukje gaat over problemen die zichzelf oplossen (dit). Over hoe het geleden is van toen ze een buikslaper bleek en ik wekenlang alleen maar wiegedoodwiegedoodwiegedood dacht, dat ik nog zo ongerust was. Over hoe ik toen op een bepaald moment heb besloten haar niet meer om te draaien en rustig te laten doen. En hoe ik nu heb besloten dat ik een beetje moet loslaten. Want het is tijd.

Ze heeft nooit eerder zo weinig tv gekeken als de laatste weken.
Ze was nooit eerder zo moe en zo vuil, elke avond.
Ze at nooit eerder als een wolf.
Ze was nooit eerder zo wild, zo zelfzeker en zo plots groot.

Ze zwaait, loopt de deur uit, en vertrekt. Al een paar weken nu. Want ze gaat spelen, honderd meter hiervandaan. Ik kook ondertussen, thuis, met de deur dicht en ik ga niet kijken. Of ik werk, aan de voordeur, en zij speelt in het park. Ze doet dingen die ik niet zie en niet weet, ze speelt met kinders die ik niet ken. Ze is nog geen zes en ik ga niet kijken. Dat vraagt meer wilskracht dan ik u kan uitleggen. Tenzij ge kinders hebt, dan weet ge wat ik bedoel.

Ik troost mezelf met de gedachte aan goeie afspraken. Aan een paar serieuze preken in de eerste dagen, en daarna nooit meer beschaamd vertrouwen. Als ze vertrekt vraag ik of ze weet hoe het zit en ze rammelt af: niet uit het park, niet mee met iemand anders ook niet als ik ze ken.

Ik stel mezelf gerust met de gedachte aan de andere buurtkinderen naast haar op het muurtje. Met de nabijheid van volwassenen, die ze kent, op een paar stappen en in huizen vlakbij waar ze getroost kan worden.
Ik denk aan die keer dat ze keihard viel in de speeltuin en ik op een meter afstand stond en haar niet kon opvangen. Dat het niet hielp dat ik keek. Ze viel toch.

Theoretisch ben ik al jaren de pleitbezorger van scharrelkinderen. Laat uw kinders een beetje doen, binnen de grenzen die ge zelf hebt bepaald. Laat los. Bemiddel zo weinig mogelijk bij ruzie, plan zo weinig mogelijk gestructureerde nuttige hobby’s. Laat kinderen zelf ontdekken en kijk toe, op een steeds groter wordende afstand.
Nu ik een praktijkcasus in huis hebt, blijkt dat niet altijd evident.

Het is een kwestie van vertrouwen, zo blijkt. In kinderen en hoe die meer kunnen dan wij denken. Maar ook in de wereld. Dat statistisch gezien de kans op een bestelwagen en onnoembare vreselijkheid zeer klein is.

Een kwestie van inschatten ook: verkeer en bekenden en andere kinderen en de risico’s.

Maar bovenal blijkt het een kwestie van angst. Het besef dat niks me banger maakt dan het vooruitzicht dat ik een kind zou opvoeden dat bang is van de wereld.

En dus loop ik de straat uit en ga stageverslagen schrijven. En zij scharrelt.

Beker.

Aan het verkeerslicht aan het park staat al maanden elke dag een meneer met een wat verfrommeld bekertje. Hij is dat ondefinieerbare ergens tussen 20 en 40, dat je altijd ziet bij mensen waarvan je hoopt dat ze niet op straat moeten slapen. Hij stapt moeilijk, heeft krukken en iets aan zijn voeten.

Als het licht rood wordt, dan strompelt hij langs de file, van auto naar auto. Het licht blijft lang rood daar, maar hij kan maximum een auto of drie doen. Hij stapt moeilijk. Hij houdt zijn bekertje aan het raam van je auto en kijkt smekend.

Als het gesprek over zo’n dingen gaat, dan hoor je mensen soms praten over georganiseerde maffia en over hoe bedelen niet gestimuleerd mag worden want dat het dan nooit weggaat. Dat bedelaars het eigenlijk best goed hebben, en gewoon ‘s avonds naar huis gaan, naar een warm bed en een bord eten. Ik zwijg meestal dan, want soms heb ik geen zin om te discussiëren. En misschien hebben ze wel gelijk. Ge kunt dat niet weten.
En toch. Ik kan dat niet geloven. Dat iemand elke dag aan een verkeerslicht zou staan en een beker zou ophouden naar een raam waarachter iemand zijn blik afwendt, als dat niet de laatste optie zou zijn. Mijn hoofd kan daar niet bij.

Dus geef ik het losse geld dat ik in mijn handtas vind. Soms wel drie keer per dag, want ik passeer daar veel, aan die lichten. Hij kent mij, ondertussen. Noemt mij mercichèremadam en glimlacht kapotte tanden.

En ik hoop dat de mensen gelijk hebben. Dat hij naar zijn huis gaat, ‘s avonds. Zijn krukken in de hoek gooit en gewoon kan stappen naar de tafel. En dat daar eten staat te wachten.