Elk einde is een begin.

Op 16 april 2012 nam ik deze foto, de puppie klaar voor haar allereerste schooldag.


Mira ziet dat wel zitten, die school.

Voor de archieven nam ik er elke keer eentje op de eerste dag van een nieuw jaar. En op de laatste. Altijd op dezelfde plaats.

Dit is vandaag, 30 juni 2015. Haar laatste dag in de kleuterschool. In september krijgt ze een nieuwe boekentas.


graduation

Show me the money! (maar dan beleefder)

Dierbare lezer. Sinds begin mei hebben wij hier op ons kruispunt een leefstraat, u weet dat ondertussen. Samen met de buren hebben we onze straat een stukje aan onszelf teruggeven. Enkele parkeerplaatsen veranderden in een ontmoetingsruimte. Over het asfalt kwam gras te liggen. Doorgaand verkeer werd geknipt. Doe daar nog een paar picknickbanken bij en het resultaat is redelijk onvoorstelbaar. Op een paar dagen tijd leerden we meer mensen uit de buurt kennen dan ooit tevoren. De kinders spelen zorgeloos op straat, er wordt voorgelezen, mensen babbelen met elkaar, en ge voelt dat mensen hier graag zijn.

Goeiemorgen! Wees welkom, vandaag. #tablederue #deooievaarvandemeibloem

Met heel wat buren zetten we ons in voor dit experiment: we houden de straat proper, we trachten met ieders noden en wensen zo goed mogelijk rekening te houden. Dat kost energie en tijd. Maar het loont de moeite: er gebeurt in onze straten iets unieks. Zelfs al lijkt het na enkele weken intussen doodnormaal.

Onze leefstraat maken we zélf mogelijk. Maar we krijgen heel wat steun van een prachtige organisatie: het Lab van Troje. Zij verzorgen de contacten met de stad Gent. Als er problemen zijn, dan zoeken zij met ons naar antwoorden. We vroegen hen kunstgras. We krégen het. Al dat moois kost geld. En daarom deze post.

U heeft misschien intussen onze leefstraat al eens bezocht (neen? een aanrader! er is _altijd_ koffie). Als we dit schone initiatief in de toekomst willen verder zetten, en gij wilt dat ook: steun ons, met een kleine bijdrage aan de Gentse leefstraten via www.crowdfunding.gent.

Want dat van vele kleintjes en een groot. En ook dat van take back the streets. En ook van: alstublieft?

Scharrelkinderen

Vooraf. Dit stond al even in draft, maar toen ik het schreef aarzelde ik om te publiceren. Ik had geen zin in “onverantwoorde moeder”-reacties. Ik las vandaag dit en nu doe ik het toch.

***

Ze zijn veel veranderd, op die paar weken, zei ze. Zo groot plots. Volwassener. Ook tegen elkaar.
Ik knikte, en nam een slok van mijn koffie, terwijl ik keek naar mijn dochter en haar zoon, die samen het park inliepen. Naar waar wij hen niet meer konden zien.
Tien minuten later stond ik recht, ging dag zeggen tegen de dochter en liep de straat uit, om verder te werken, aan mijn stageverslagen. Zoals altijd de laatste weken, kostte mij dat al mijn wilskracht. Haar daar laten en niet toekijken. Ik heb nog veel te leren.
Ik onderdrukte het ongeruste gevoel en zei enkel nog: als er iets is, bel maar. En als jullie allemaal naar huis gaan, stuur je haar dan ook naar huis?

Het is minder eenzaam, maar ik blijf overlopen van zelfmedelijden. #junischmuni #deooievaarvandemeibloem

Dit stukje gaat over problemen die zichzelf oplossen (dit). Over hoe het geleden is van toen ze een buikslaper bleek en ik wekenlang alleen maar wiegedoodwiegedoodwiegedood dacht, dat ik nog zo ongerust was. Over hoe ik toen op een bepaald moment heb besloten haar niet meer om te draaien en rustig te laten doen. En hoe ik nu heb besloten dat ik een beetje moet loslaten. Want het is tijd.

Ze heeft nooit eerder zo weinig tv gekeken als de laatste weken.
Ze was nooit eerder zo moe en zo vuil, elke avond.
Ze at nooit eerder als een wolf.
Ze was nooit eerder zo wild, zo zelfzeker en zo plots groot.

Ze zwaait, loopt de deur uit, en vertrekt. Al een paar weken nu. Want ze gaat spelen, honderd meter hiervandaan. Ik kook ondertussen, thuis, met de deur dicht en ik ga niet kijken. Of ik werk, aan de voordeur, en zij speelt in het park. Ze doet dingen die ik niet zie en niet weet, ze speelt met kinders die ik niet ken. Ze is nog geen zes en ik ga niet kijken. Dat vraagt meer wilskracht dan ik u kan uitleggen. Tenzij ge kinders hebt, dan weet ge wat ik bedoel.

Ik troost mezelf met de gedachte aan goeie afspraken. Aan een paar serieuze preken in de eerste dagen, en daarna nooit meer beschaamd vertrouwen. Als ze vertrekt vraag ik of ze weet hoe het zit en ze rammelt af: niet uit het park, niet mee met iemand anders ook niet als ik ze ken.

Ik stel mezelf gerust met de gedachte aan de andere buurtkinderen naast haar op het muurtje. Met de nabijheid van volwassenen, die ze kent, op een paar stappen en in huizen vlakbij waar ze getroost kan worden.
Ik denk aan die keer dat ze keihard viel in de speeltuin en ik op een meter afstand stond en haar niet kon opvangen. Dat het niet hielp dat ik keek. Ze viel toch.

Theoretisch ben ik al jaren de pleitbezorger van scharrelkinderen. Laat uw kinders een beetje doen, binnen de grenzen die ge zelf hebt bepaald. Laat los. Bemiddel zo weinig mogelijk bij ruzie, plan zo weinig mogelijk gestructureerde nuttige hobby’s. Laat kinderen zelf ontdekken en kijk toe, op een steeds groter wordende afstand.
Nu ik een praktijkcasus in huis hebt, blijkt dat niet altijd evident.

Het is een kwestie van vertrouwen, zo blijkt. In kinderen en hoe die meer kunnen dan wij denken. Maar ook in de wereld. Dat statistisch gezien de kans op een bestelwagen en onnoembare vreselijkheid zeer klein is.

Een kwestie van inschatten ook: verkeer en bekenden en andere kinderen en de risico’s.

Maar bovenal blijkt het een kwestie van angst. Het besef dat niks me banger maakt dan het vooruitzicht dat ik een kind zou opvoeden dat bang is van de wereld.

En dus loop ik de straat uit en ga stageverslagen schrijven. En zij scharrelt.

Beker.

Aan het verkeerslicht aan het park staat al maanden elke dag een meneer met een wat verfrommeld bekertje. Hij is dat ondefinieerbare ergens tussen 20 en 40, dat je altijd ziet bij mensen waarvan je hoopt dat ze niet op straat moeten slapen. Hij stapt moeilijk, heeft krukken en iets aan zijn voeten.

Als het licht rood wordt, dan strompelt hij langs de file, van auto naar auto. Het licht blijft lang rood daar, maar hij kan maximum een auto of drie doen. Hij stapt moeilijk. Hij houdt zijn bekertje aan het raam van je auto en kijkt smekend.

Als het gesprek over zo’n dingen gaat, dan hoor je mensen soms praten over georganiseerde maffia en over hoe bedelen niet gestimuleerd mag worden want dat het dan nooit weggaat. Dat bedelaars het eigenlijk best goed hebben, en gewoon ‘s avonds naar huis gaan, naar een warm bed en een bord eten. Ik zwijg meestal dan, want soms heb ik geen zin om te discussiëren. En misschien hebben ze wel gelijk. Ge kunt dat niet weten.
En toch. Ik kan dat niet geloven. Dat iemand elke dag aan een verkeerslicht zou staan en een beker zou ophouden naar een raam waarachter iemand zijn blik afwendt, als dat niet de laatste optie zou zijn. Mijn hoofd kan daar niet bij.

Dus geef ik het losse geld dat ik in mijn handtas vind. Soms wel drie keer per dag, want ik passeer daar veel, aan die lichten. Hij kent mij, ondertussen. Noemt mij mercichèremadam en glimlacht kapotte tanden.

En ik hoop dat de mensen gelijk hebben. Dat hij naar zijn huis gaat, ‘s avonds. Zijn krukken in de hoek gooit en gewoon kan stappen naar de tafel. En dat daar eten staat te wachten.

Confituur.

Het is juni, en in juni is er altijd die ene avond dat ik in mijn keuken sta, in een pot aarbeien roer en mijzelf een moment van melancholie toesta. Dan ben ik weer vijf, en klim op een stoel in de keuken beneden bij mijn grootouders. Er was een keuken boven, en een keuken beneden, en om een reden die mij nog steeds niet duidelijk is werd confituur beneden gemaakt.
Ik klom op de stoel, naast mijn pepe, omdat mijn hoofd anders niet boven het aanrecht kwam, en ik alles moest zien. Ik leerde over confituur, en hoe ge een lepel op een bordje moet scheppen om te zien of ze klaar is. Elke elke keer als ik nu een lepel hete confituur op een bordje schep, moet ik daaraan denken.

5 kilo aardbeien kuisen… Straks verse confituur.

Een foto die is geplaatst door Henk Rijckaert (@henk.rijckaert) op

Het is verkocht, ondertussen, dat huis. het huis van oneindig veel beelden uit mijn kindertijd. Een kindertijd die daar — als ik de foto’s mag geloven — voornamelijk bestond uit paaseieren rapen, verjaardagstaarten eten en nieuwjaarsbrieven voorlezen.

Wat in mijn hoofd zit, staat niet op foto’s. Het is het huis van vanillepap en speculoos, van boterhammen met lichtbruin suiker na school.
Het huis waar ik mijn twee jaar jongere neef zover kreeg dat hij droogbloemen in brand stak tijdens het huiswerkmaken.

Het huis van de tuin met de konijnen ook, en met het tuinhuis waar we niet mochten spelen en dat bijgevolg de leukste plek was. De tuin waaruit ik later bij elk bezoek groenten en kruiden en bloemen voor op de schouw van mijn eigen huis in de stad mocht meenemen.

En het huis van confituur, dus.

En ik weet dat, zo’n dingen zijn niet onverwacht. Ze worden lang aangekondigd, door een verhuis naar kleiner, door het wegvallen van dierbaren en op het eind ook door een advertentie op immoweb. Maar als het telefoontje komt dat het verkocht is, is het toch een raar momentje, zelfs al was ik er toen al vijf jaar niet meer geweest.

Ik troost me met het idee dat het schoon is, die herinneringen. En vooral met het idee dat het huis gekocht werd door een schone mens. De allereerste jongen met wie ik ooit praatte in het jeugdhuis waar ik mijn jeugd doorbracht. Ik was 14, en stond te draaien aan de deur. Hij kwam bij mij staan en zei: “Moh, gij zijt toch zo’n vriendinneke van mijn kleine zus hé? Wat drinkt ge?”

Ik denk dat ge een potje confituur krijgt als housewarminggift, V.