Zomeravond.

Zomeravond. We hebben woorden en tijd.
Behaaglijk is het om van mening en geslacht
te verschillen, waarna alleen nog van geslacht,
een verschil van dag en nacht, waarna nacht.

Laat je strelen, kom.
Ik hou ervan je lichaam te verdelen
in van alles twee, zoals ik deze zomer
de zee verdeelde toen ik schoolslag zwom.

-Herman de Coninck-

Happy gedichtendag, y’all.

Een kind is altijd onverdacht.

Naar aanleiding van.

Een hele tijd geleden ging ik naar een studiedag over Armoede bij kinderen. Ik hoorde Pinxten daar zeggen:

“Kinderen zijn onverdacht. Bij volwassenen kun je eventueel nog vragen stellen bij de oorzaken van armoede, maar kinderen hebben nooit gekozen voor armoede. Ze worden geboren in onze wereld, die draait volgens regels die wij bepaald hebben.”

Sindsdien is dat een mantra geworden in mijn hoofd. Elke overweging wordt daartegen gespiegeld. Elk idee wordt daarop afgetoetst.

Een kind is altijd onverdacht.

Dat ene zinnetje hoort een leidraad te zijn voor alle leraars, voor alle directies, voor iedereen die het beleid maakt, elke minister en iedereen die besluiten neemt die invloed hebben op kinderen.
Of: voor iedereen die ooit iets met kinderen te maken heeft. Voor elke volwassene.
Ik zeg het tegen mijn studenten, ik herhaal het in discussies, ik schrijf het op en ik heb soms zin om het te roepen als ik de krant lees.

Een kind is altijd onverdacht.

Want het is een waarheid. Een feit. Onweerlegbaar. Kinderen kiezen niet voor armoede. Kinderen kiezen eenvoudigweg niet. Ze komen terecht in een situatie en daarmee moeten ze het doen. Een kind maakt geen keuzes waardoor dat kind honger heeft, of kou, of tekort aan honderden omringende zaken die nodig zijn om te groeien en te ontplooien. Voor kinderen worden keuzes gemaakt, en daar moeten kinderen het mee doen.
Het is als samenleving onze verdomde verantwoordelijkheid om voor kinderen te zorgen. Ook op momenten dat ouders dat misschien minder goed kunnen. En is dat erg, dat het sommige ouders misschien op sommige momenten minder goed lukt? Is dat schrijnend? Zeer zeker. Maar onze eerste bekommernis hoort niet te zijn om daarover te oordelen. Onze eerste bekommernis hoort te zijn: hoe kunnen we voor die kinderen zorgen?

Want een kind is altijd onverdacht.

There’s always, always, always the sun.

Wat een week.
De spannendste week in tijden, en dat zorgde ervoor dat ik gisterenavond een beetje in een hoopke lag, opeens.

Er was vorig weekend, er waren onrustige nachten, vijfsterrenvreugde, veel werk, lange dagen met enkel mijn rode corrigeerstylo als gezelschap, en ondertussen een hoofd dat af en toe afdwaalde naar andere dingen.
Ik ben deze week een paar keer zo fier geweest op mensen die ik heel graag zie, dat ik dacht dat ik er van zou ontploffen. Gestuiter en gedans.

Er waren ook een emotionele momenten, en dat werkt wat door. Overweldigend veel reactie, bijvoorbeeld, op het nieuws waarvan iedereen wist dat het ooit zou komen, maar dat nog steeds een beetje piekt. Op een later moment schrijf ik daar uitgebreider over, want tien jaar verdient meer dan een paar regels.

gb_dag_een1

Maar algemeen: wat een week.
Alles waar ik op hoopte en meer.

Sommige dingen veranderen nooit.

Ik heb verschillende tinten rood. Geen 50, maar toch een viertal. Soms heb ik zin in een stift, soms moet het van vierkleurenstylo zijn. En dan moet ge dat in huis hebben, natuurlijk.
Ik heb een joggingbroek en een sjaal. Ongekamd haar, want douchen is de pauze van straks.

Ik hang post-its op de plaats waar ik nog een koffie mag. Die zijn geel. Roze post-its waar ik efkes mag pauzeren.
Ik maak stapels. Lijstjes. Planningen. Per halve dag een to do, op een zelfgetekend raster. Strikt. Strak. Concentratie.
Een halve dag later herschik ik stapels. Maak nieuwe lijstjes, een nieuwe planning. Ik moet het raster opnieuw tekenen, want als de to do-lijst niet proper geschreven is, kan ik mij niet concentreren. En we hebben concentratie nodig.

examens

Ik tel. Hoeveel nog. En hoeveel uur is dat dan nog. En hoeveel nog tot de post-it, want ik wil een koffie.

Elke keer ben ik verwonderd over hoe de examens nu eigenlijk niet zo verschillend zijn van vroeger, toen ik ze nog moest afleggen. De post-its, de koffie, de stapels, het tellen. Het zelfmedelijden.

Het is voor iedereen hier thuis nu alleen nog achteruitleunen en rustig afwachten tot De Dag Van De Paniek.

De grapjes van mijn man.

Als u deze week een boekske of een gazet openslaat, dan zou het goed kunnen dat u mijn wederhelft daar ziet staan, want volgend weekend begint deel 2 van een periode waar hij al een half jaar hard aan werkt. Het leutige deel start nu, het deel waar het werk vorm gekregen heeft en de resultaten er zijn.

Het waren maanden van gepruts, sinds het voorjaar. Maanden van nachtelijke telefoons variërend van “Het marcheerde! Het was de max!” tot “het was kak. kak. kak.”. En alles daartussen. Maanden ook waarin de gevolgen van zo’n try-out het verloop van onze volgende dagen mee bepaalde.
Maanden van eindeloos gitaar spelen, maanden van karton en houtresten in het hele huis. Van veel koffie, de occassionele “zijt ge een mop aan het uitproberen? Ja hé? ‘t Is niet zo grappig, jong.” (ik moet streng zijn, ge verstaat dat) maar vooral ook van veel gelach.

banner

En dan nu. Première. Vrijdag en zaterdag in een uitverkochte Herbakker, en daarna op tournee.

Hij heeft de reclame van mij niet meer nodig ondertussen, daar heeft hij de helden van het beste management ter wereld voor, tegenwoordig. Maar ik doe het gewoon toch, want ik weet nu al dat ik dit weekend weer zowat ga ontploffen van trots.

Bij deze: ga kijken! Het is goed! En om te lachen! En mijn man kan mooi zingen!

Kijk. De speeldata staan hier.