Café.

Ik vond mezelf moedig, jawel. Lief en zijn technicus waren nog toestanden aan het uitladen thuis. Tom had gezegd op tijd te vertrekken, maar ik voelde het aan mijn kleine teen dat hij dat niet zou doen (ik bleek gelijk te hebben, jawel). Klijn was te moe en lag in een huiselijke zetel te slapen. En dus stond ik daar, aan het café van afspraak, alleen, in de vrijdagse koude nacht. Ik liep er even binnen, maar er zaten alleen mensen aan tafeltjes te praten en dan zit een meiske daar ook maar zo alleen te staren, zo zonder boek.

Toen de deur van het café ernaast openzwaaide hoorde ik echter fijne muziek en geroezemoes en ik haalde even diep adem. Sprak mezelf moed in (als ge daar jarenlang iedere week hebt gezeten zal er toch nog wel iemand zijn die u bekend voorkomt zeker?) en onderdrukte de twijfel (ik ben anderhalf jaar niet uitgeweest. De wereld verandert op anderhalf jaar). En stapte binnen. Alleen, jawel.

Binnen bleek alles ok: oude vertrouwde café’s hebben de neiging te passen als een oude jeans. Comfortabel en eenvoudig. Er waren zelfs bekenden, in verschillende hoekjes en aan de toog. En dus was ik druk aan het babbelen en aan mijn tweede pintje toe, toen de rest van het gezelschap een hele tijd later binnenwaaide.

Op café gaan is gelijk met de velo rijden. Ge verleert dat eigenlijk nooit.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *