Boontje, 1953.

De schoonste boekenverkoopster van het land postte iets, van Josse De Pauw, over vluchtelingen en mededogen. En toen moest ik weer aan dit denken. Een re-post, maar UTF heeft de vorige onleesbaar gemaakt.

Kanker.

Zie, en pas hebt ge uw eindeloos medelijden uitgesproken met dat mislukte product, dat de mens is…met dat beetje schimmel dat de mens is… met dat beetje kanker, lichamelijke en geestelijke kanker, dat de mens is… pas hebt ge daarover uw eindeloos medelijden uitgesproken , al denkend: het nadert precies naar het einde van ons boek en we moeten zien dat we ook wat medelijden ten toon spreiden … pas hebt ge er aan gedacht om uw eindeloos medelijden ten toon te spreiden, of ge wandelt met uw vader naar de stad der 2 fabrieken toe, en hij zegt: maar hebt ge daar reeds op gelet, dat al die duitsgezinden van binst den oorlog werkelijk een duitse smoel hebben? En die woorden vallen u op het hart en de geest gelijk een emmer koud water … want het is inderdaad zo: kijkend naar hen die min of meer besmet waren van die geestelijke kanker, merkt ge dat zij allen een min of meer dezelfde physionomie hebben … en dat het dus in de grond niet fout was als ze dachten en voelden met een hart gelijk een concentratiekamp. En zo komt ge tot de ontstellende gedachte dat er misschien eigenlijk geen sprake kan zijn van MISdaad, want dat iedereen handelt naar zijn beste weten, en dat dit weten bepaald wordt door de bouw zijner hersenen, door zijn hart en zijn nieren, door hormonen en klieren … en dat er daardoor misschien wel bepaalde soorten van mensen zijn, en dat iedere soort handelt naar eigen beste weten. En u met deze misschien verkeerde gedachte kwellend, staart ge naar het zoontje van johan janssens -die 10 jaar is- en ge vraagt u af tot welk ras hij behoort … hoogstwaarschijnlijk tot het ras waartoe zijn vader behoort: het ras dat de wereld in eindeloos mededogen wil omvatten … maar daardoor het ras dat zich steeds laat in de doeken draaien en overkafzakken, in de hoek duwen, in het concentratiekamp opsluiten, en opzijde laat drummen door arrivisten en strebers. En woedend wordend zoudt ge uzelf klappen rond de oren willen geven en ge draaft naar de wapenwinkel en koopt het zoontje van johan janssens een luchtkarabijn met loden kogeltjes: neem dat, en leert schieten gelijk de beste, leer het van u te verdedigen tegen het ras dat u zou willen overkafzakken, u in een hoek duwen, u in een concentratiekamp opsluiten. En het zoontje van johan janssens aanvaardt dat geweer en leert schieten gelijk de beste … en almeteens komt hij terug in uw stuk van een tuin, met trillende lippen en wondervreemde ogen, en in zijn hand ligt een dode mus. Zie, en ge kunt dat niet beschrijven, want de ontroering slaat in golven door uw pen: gelijk hij die dode mus toont is hij trots … trots omdat hij reeds zo goed schieten kan … maar breekt hij in hartstochtelijke tranen uit, want het is een lief klein wezen dat hij zomaar neergeschoten heeft, en dat nu dood in zijn hand ligt. Kleine lieve mus, die zomaar door mij werd neergekogeld. En wij zijn samen naar het stuk van de tuin teruggekeerd en hebben de kleine lieve mus begraven. Doch zie, ginder achter in de andere tuinen, in de tuin van tkasteel der derenancourts, loopt hun zoon met een veel duurder luchtkarabijn, een dat op mitraillette kan staan … roef, 20 ballen … en daarmee doorzeeft hij de mussen, alle mussen die hij ziet. En daar staat ge weeral, gij en het zoontje van johan janssens -die 10 jaar is- met uw eindeloos medelijden: gereed om u steeds en in de eeuwen der eeuwen amen te laten uitmoorden door hen die géén eindeloos medelijden hebben. En tschoonste van het spel: dat ge hen niet moogt laten merken hoe ge van eindeloos medelijden voor hen zijt doordrongen, want dan zouden zij pas voor goed triomferen … en plus daarbij dat ge niet schrijven moogt dat er in de grond misschien wel verschillende mensenrassen zijn: want dan zouden ze uw gedachte uitbuiten, en hun ras als het Hoogste ras aanzien, het ras dat het zoontje van johan janssens onder hun hiel moet verpletteren.

L.P.B – de kapellekensbaan – 1953

3 thoughts on “Boontje, 1953.

  1. Wat zegt hij het toch altijd schoon, den Boin. En wat een prachtig meesterwerk heeft hij toch geschreven. (Meer dan één eigenlijk.)

  2. Ik weet at ik hier nu een vloek achterlaat, maar ik heb Boontje nooit kunnen verteren. Hoe waar en juist zijn gedacht ook was, de manier waarop het er stond wrong altijd een beetje. Kan er nog steeds de vinger niet op leggen, maar het blijft in de weg zitten.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *