Category Archives: En al

Eric en Sanne.

“Maar mama. Hoe hebben ze elkaar dan leren kennen?”
“Wie, liefje?”
“Awel. Eric en Sanne.”

Ziehier een conversatie die bij ons werd gehouden, de voorbije dagen. Verschillende keren. In lichte varianten, telkens met een andere startvraag.
“En waarom vond Dag Allemaal dat zo interessant?” “Wat, schatteke?” “Awel. Eric en Sanne.”
“En waar was zijn vrouw dan?” “Wiens vrouw?” “Wel…”
“En zongen die dan samen liedjes?” “Wie…?”

(u snapt het stramien ondertussen)

Bij elke vraag heb ik geen idee waarover ze het heeft. Dat komt omdat de vragen altijd met een paar dagen tussen komen en niet ingeleid worden door een gelijkaardig onderwerp. Opeens is ze daar. De nieuwe Eric en Sanne-vraag.

Het houdt haar bezig, sinds die spotify-sessie ergens tussen de dolomieten en de alpen, toen de man en ik het over de jaren 90 en Tien om Te Zien hadden.

We hebben zelf ook al heel wat bijgeleerd ondertussen, dankzij haar vragen. Ze treden niet meer op, zo blijkt. Hij sukkelt met een hernia en hun dochter is actrice in een K3-film.

Ik denk dat de dochter nu klaar is om het verhaal van Willy en Isabelle te horen.

Zes dingen over afgelopen vrijdag.

Eén.
Er mag altijd maar één ouder mee. Ik snap het, maar dat is van het ergste, voor iedereen. Zij wil niet kiezen, hij wil het mij niet ontzeggen, ik krijg het niet over mijn hart om mijn plaats af te staan. En dan zit ge op recovery met kinderhandje in uw ene hand, en een gsm in de andere. Ge streelt het handje, en ge stuurt per tien seconden een bericht naar de vader aan de andere kant van de deur. Want daar zijn is nog erger dan hier zijn en hier is het al zo moeilijk.

Twee.
Het was nog vroeg toen we naar Ieper reden. Zoals sommige mensen de liefde volgen naar de andere kant van het land, zo volgden wij een dokter, van het UZ naar een ziekenhuis in Ieper. Het is niet anders.
Mijn nacht was kort geweest en voornamelijk woelen. En dat was al een paar nachten zo. Maar we deden flink, zij deed flink. Ze maakte grapjes en was vrolijk, tot ze dat operatiehemdje kreeg en ze met haar kleren ook haar moed uittrok.
Ik kon alleen maar bij haar liggen en wachten tot de pré-medicatie begon te werken.
Hij kan alleen maar naast ons zitten en zacht over haar hoofdje wrijven.

Drie.
De beslissing, die werd op de halfjaarlijkse controle genomen, voor de zomer. Ik vroeg wat ik elke keer vraag, al zes jaar: Als het uw dochter was, zou u opereren, dokter?
Voor het eerst in die zes jaar zei de dokter ja. Omdat haar ogen volgroeid zijn, omdat haar bril niet echt nodig is voor zicht, enkel voor het wegdraaien van dat oogje. Omdat er voor de bril rigoureus afgeplakt was. Omdat het er niet zou uitgroeien. Ja, ge weet het wel hé, dan. Maar het is nooit van harte, zo’n afspraak maken.

Vier.
Het wachten. Hels, tergend, vloekend wachten. Bladerend in een krant want een mens moet toch wat. Sociale media en tijdsverdrijf. Mijn man en ik, wij zwijgen niet vaak, maar dat uur dat ze wegwas, toen wisten we allebei niet wat zeggen. Omdat het maar over één ding kan gaan, en als ge daar te veel over praat op dat moment, dan gaat het opeens niet meer.

Vijf.
Toen ze terug op de kamer was, liet ik haar bij hem achter en ging alleen een broodje halen. Halverwege de weg naar de cafetaria kon ik nog net op tijd een toilet binnenvluchten, zodat ik een beetje ween-privacy had. Er zijn limieten aan elkeen zijn flink, zo blijkt.

Zes.
Het zijn van die dagen die een ouderhart aan stukken rijten. Stukken die gelukkig bij de opluchting al weer een beetje aan elkaar geplakt worden. Maar ge weet al van tevoren dat ge het altijd gaat blijven zien, die scheuren, ook al is alles in principe hersteld. Het zijn die dagen die ge nooit meer vergeet, omdat een hart maar een bepaalde hoeveelheid machteloosheid aankan. Eens daar voorbij, is dat gevoel voor altijd in uw lijf gebeiteld.

***
Deze brug is genomen, nu volgen druppels (teh drama!), herstel, controles, opvolging en dan hopelijk een positief verdict. Of opnieuw een operatie. Maar laat ons dat nog efkes negeren, voorlopig.

Wat voorafging.

7 jaar en 11 maanden dierenliefde, dat ging vooraf. Haar eerste woord was POE, wijzend naar Boogie. Elke kever pakt ze op, elk vogelke heeft ze gezien. Ze speelt met spinnen, aait zonder vrees gigantische paarden en wacht geduldig bij een schaap tot het lammetje geboren wordt.
Ze was drie toen ik een keer zei: “kijk een eend” en ze antwoordde “neen, een waterhoen.”

Dat kind.
Treuzelt door het leven omdat ze het zo druk heeft met alles bekijken. Gaat op haar hurken zitten, maakt een geluidje en heeft er weer een nieuwe kat-vriendje bij, draaiend rond haar benen. Ordent haar herinneringen aan de hand van aanwezige beesten.

De boerderij van Scotta in ijsland, het huisje met Pluisje en Charcuterie in Frankrijk, de camping met Wortel, de camping met Tjoezepoeze. Ze weet van elk dier in haar buurt de naam, en als ze het niemand kan vragen dan noemt ze ze zelf.

“Weet je nog, mama, dat restaurant waar we op de parking die rosse poes zagen? Wel, daar had ik …”

5 jaar gezeur om beesten, dat ging vooraf. Mag ik een puppy? Waarom hebben wij geen hamster? Ik zou zo graag een paard hebben. Mag ik wandelende takken? Kippen? Nog een kat?

Wij zegden altijd neen, met argumenten. Te veel gedoe. De kat is al genoeg. Dan moeten we weer iets zoeken als we op reis zijn. Enzovoort, enzoverder. Volwassen argumenten, die natuurlijk het hart van een dierenvriendje niet vullen.

En toen werd ze acht, ergens op reis deze zomer. Ze kreeg een speelgoedcavia (ze was euforisch, toen al), en de boodschap: je krijgt er ook twee echte, als we thuis zijn.

Ze wees naar haar vader en riep: niet liegen hé papa. als dit een grapje is ga ik echt boos zijn hoor. NIET. LIEGEN.
Hij lachte dat hij niet loog.
Zij weende van geluk.

Dat was dus wat voorafging. Aan dit.

De druivelaar.

De bel. R. voor de deur. Tien jaar ongeveer, Irakees. Ik ken hem want mijn dochter kent hem. Kinderen met hetzelfde park als achtertuin.

Hij begint een gecompliceerde uitleg over de druivelaar aan de deur, met veel wijzen en wijzen naar zijn mama die een eindje verder verlegen wacht. Na een paar minuten weet ik wat hij bedoelt.

In ons stuk straat staat de druivelaar to end all druivelaars. Hij strekt zich uit over vijf gevels en is sterk en krachtig, met prachtige bladeren. Bij mensen uit het Midden-Oosten zijn die heel populair om sarma te maken. Maar ergens halverwege de zomer pakt de buurman de druivelaar in met netten, want anders eten de duiven alle druiven en kan hij geen sap maken. Logisch, maar dat zorgt ervoor dat de blaadjes voor de sarma niet meer geplukt kunnen worden.

Ik wenk de mama en leg uit dat we ook achteraan dezelfde druivelaar hebben staan. En dat ik blaadjes zal plukken de volgende dag en dat ze die mag komen halen. Het is een gesprek zoals dat vaak gaat, hier in mijn wijk: veel traag Nederlands, veel gebaren, veel nadenken en geknik en gelach. Maar het werkt.

Na de afspraken komt de mama helemaal los. Ze wijst naar onze voordeur en zegt: “jij hebt mooi huis”. Ik bedank haar en ze zegt “Ik had ook mooi huis. Groot. En tuin, met druiven. In Mosul. Toen kwamen de bommen. Veel bommen. Alles kapot.”

Een pauze. Ze glimlacht een beetje scheef.

“Nu heb ik klein huis. Hier om de hoek. Geen druiven. Maar ook geen bommen.”

Ik glimlach ongemakkelijk en veeg de scherven van mijn hart samen op de stoep.

Uitloop.

Begin vorige week begonnen we te werken. Dat is met een ochtendroutine (de dochter moet om 9h op haar kampjes zijn) en met plotse regelmaat na zeven weken van de dag die openging en wij die erin stapten.

Dat doet een beetje pijn. Zeven weken is zo lang, dus ik kijk dankbaar terug en kus mijn pollekes voor zo’n uitgebreid verlof, maar we gaan eerlijk zijn: het doet een beetje pijn.

Ik gun mezelf regelmatig een pauze waarin ik door vakantiefoto’s blader en verlangend zucht. Ik zoek alvast wat dingen op voor de reis van volgend jaar. En we verlengen kunstmatig het vakantiegevoel door kleine gewoontes aan te houden. ‘s Avonds scrabble spelen op het terras. Met muggenkaarsen en de kampeerlampjes.

Of deze.

Na een kampeerreis zijn er altijd een paar weken waarbij ik mijn opinel het beste mes ter wereld vind en het dus blijf gebruiken bij het koken.

De vakantie is pas echt voorbij als ik mijn molenmeske weer uit het schof haal.