Category Archives: Van een ander

Dingen door andere mensen geschreven

Ik swing alleen als het vriendelijk gevraagd wordt.

Een paar maand geleden kreeg ik de vraag van de drie dames van This is How We Read, een blog die de boekenlezers onder u niet onbekend zal zijn, of ik zin had om een keer te swingen op dinsdag met hen. Omdat ze het vriendelijk vroegen, omdat ik niet hoef te dansen én omdat ik hun blog graag les, zei ik zonder aarzelen ja.

En dus leest u vandaag hier een stuk dat eigenlijk van This is how we read komt. En leest u bij hen mijn pleidooi voor de boekhandelaar van een tijdje geleden.

Maar ik moest dus een stukje kiezen. En ik zat volop in de examenverbetermarathon, en hoewel ik dus pricipieel wilde swingen, had ik geen tijd. Gelukkig kan ik zo’n dingen liefdevol delegeren naar mijn favoriete boekhandelaar, Maartje-van-Boekarest. Want kiezen uit een blog over literatuur, dat laat een mens best aan een kenner over. Ze koos een stukje over schrijven voor kinderen “Want dat past bij jouw achtergrond”. Voor het origineel: klik op de titel.

Schrijven voor kinderen.

Een leeuw met smetvrees. Een springlevend geflambeerd konijn. Een bagageband als slaapkamer. Een politiezwaailicht jatten. Het boek van Sinterklaas met Tipp-Ex bewerken. Een pratende zure bom en zijn moeilijke relatie met een tandarts die Mijnheer Krepeer heet. Waarom er al eens een koe op Dikke Thibault heeft gestaan.

Continue reading

Zag jij misschien #gedichtendag

…zag jij misschien dat ik naar jou,
dat ik je zag en dat ik zag hoe jij
naar mij te kijken zoals ik naar jou
en dat ik hoe dat heet zo steels,
zo en passant en ook zo zijdelings –
dat ik je net zo lang bekeek tot ik
naar je staarde en dat ik staren bleef.
Ik zag je toen en ik wist in te zien
dat in mijn leven zoveel is gezien
zonder dat ik het ooit eerder zag:
dat kijken zoveel liefs vermag.

You are sadly missed, Joost Zwagerman.

Boontje, 1953.

De schoonste boekenverkoopster van het land postte iets, van Josse De Pauw, over vluchtelingen en mededogen. En toen moest ik weer aan dit denken. Een re-post, maar UTF heeft de vorige onleesbaar gemaakt.

Kanker.

Zie, en pas hebt ge uw eindeloos medelijden uitgesproken met dat mislukte product, dat de mens is…met dat beetje schimmel dat de mens is… met dat beetje kanker, lichamelijke en geestelijke kanker, dat de mens is… pas hebt ge daarover uw eindeloos medelijden uitgesproken , al denkend: het nadert precies naar het einde van ons boek en we moeten zien dat we ook wat medelijden ten toon spreiden … pas hebt ge er aan gedacht om uw eindeloos medelijden ten toon te spreiden, of ge wandelt met uw vader naar de stad der 2 fabrieken toe, en hij zegt: maar hebt ge daar reeds op gelet, dat al die duitsgezinden van binst den oorlog werkelijk een duitse smoel hebben? En die woorden vallen u op het hart en de geest gelijk een emmer koud water … want het is inderdaad zo: kijkend naar hen die min of meer besmet waren van die geestelijke kanker, merkt ge dat zij allen een min of meer dezelfde physionomie hebben … en dat het dus in de grond niet fout was als ze dachten en voelden met een hart gelijk een concentratiekamp. En zo komt ge tot de ontstellende gedachte dat er misschien eigenlijk geen sprake kan zijn van MISdaad, want dat iedereen handelt naar zijn beste weten, en dat dit weten bepaald wordt door de bouw zijner hersenen, door zijn hart en zijn nieren, door hormonen en klieren … en dat er daardoor misschien wel bepaalde soorten van mensen zijn, en dat iedere soort handelt naar eigen beste weten. En u met deze misschien verkeerde gedachte kwellend, staart ge naar het zoontje van johan janssens -die 10 jaar is- en ge vraagt u af tot welk ras hij behoort … hoogstwaarschijnlijk tot het ras waartoe zijn vader behoort: het ras dat de wereld in eindeloos mededogen wil omvatten … maar daardoor het ras dat zich steeds laat in de doeken draaien en overkafzakken, in de hoek duwen, in het concentratiekamp opsluiten, en opzijde laat drummen door arrivisten en strebers. En woedend wordend zoudt ge uzelf klappen rond de oren willen geven en ge draaft naar de wapenwinkel en koopt het zoontje van johan janssens een luchtkarabijn met loden kogeltjes: neem dat, en leert schieten gelijk de beste, leer het van u te verdedigen tegen het ras dat u zou willen overkafzakken, u in een hoek duwen, u in een concentratiekamp opsluiten. En het zoontje van johan janssens aanvaardt dat geweer en leert schieten gelijk de beste … en almeteens komt hij terug in uw stuk van een tuin, met trillende lippen en wondervreemde ogen, en in zijn hand ligt een dode mus. Zie, en ge kunt dat niet beschrijven, want de ontroering slaat in golven door uw pen: gelijk hij die dode mus toont is hij trots … trots omdat hij reeds zo goed schieten kan … maar breekt hij in hartstochtelijke tranen uit, want het is een lief klein wezen dat hij zomaar neergeschoten heeft, en dat nu dood in zijn hand ligt. Kleine lieve mus, die zomaar door mij werd neergekogeld. En wij zijn samen naar het stuk van de tuin teruggekeerd en hebben de kleine lieve mus begraven. Doch zie, ginder achter in de andere tuinen, in de tuin van tkasteel der derenancourts, loopt hun zoon met een veel duurder luchtkarabijn, een dat op mitraillette kan staan … roef, 20 ballen … en daarmee doorzeeft hij de mussen, alle mussen die hij ziet. En daar staat ge weeral, gij en het zoontje van johan janssens -die 10 jaar is- met uw eindeloos medelijden: gereed om u steeds en in de eeuwen der eeuwen amen te laten uitmoorden door hen die géén eindeloos medelijden hebben. En tschoonste van het spel: dat ge hen niet moogt laten merken hoe ge van eindeloos medelijden voor hen zijt doordrongen, want dan zouden zij pas voor goed triomferen … en plus daarbij dat ge niet schrijven moogt dat er in de grond misschien wel verschillende mensenrassen zijn: want dan zouden ze uw gedachte uitbuiten, en hun ras als het Hoogste ras aanzien, het ras dat het zoontje van johan janssens onder hun hiel moet verpletteren.

L.P.B – de kapellekensbaan – 1953

De vraag.

Gisteren en eergisteren deden wij met het team een opleiding rond coaching, en op een bepaald moment werd dit verhaal voorgelezen. Ik dacht: ik moet dat onthouden. Dus ik noteerde en deed google vandaag en kijk, nu krijgt ge een inspirerend verhaal. /schrapt BZN-mopje.

***

Het leek of hij nog nooit eerder een appel had gezien. Eerst rook hij er een tijdje aan, toen nam hij voorzichtig een hap. ‘Mmm’, zei hij, en nam opnieuw een hap, nu een grote.
‘Vind je het lekker?’ vroeg ik. Hij maakte een diepe buiging.

Ik wilde weten hoe een appel smaakt als je er nog nooit een hebt geproefd, daarom vroeg ik nog maar een keer: ‘Vind je het lekker?’ Hij bleef maar buigen. ‘Waarom buig je?’ vroeg ik.

Mika boog opnieuw. Ik snapte er niks meer van en vroeg toen nog een keer: ‘Waarom buig je?’

Nu snapte hij er niks meer van. Ik geloof dat hij zich afvroeg of hij nog een keer zou buigen of dat hij antwoord zou geven. ‘Waar ik vandaan kom, buig je altijd als iemand een goede vraag stelt’, legde hij uit. Hoe dieper de vraag, hoe dieper de buiging.’ Zoiets raars had ik in tijden niet gehoord. Wie boog er nu voor een vraag?
‘Wat doen jullie als je elkaar begroet?’
‘Dan proberen we een slimme vraag te bedenken’, zei hij.
‘Waarom?’
Eerst boog hij weer omdat ik opnieuw een vraag had gesteld, toen zei hij: ‘We proberen een slimme vraag te bedenken, zodat de ander een buiging maakt.’

Ik vond het zo’n indrukwekkend antwoord dat ik een hele diepe buiging maakte. Toen ik weer opkeek stond Mika op zijn duim te zuigen. Het duurde heel lang voor hij de duim weer uit zijn mond haalde. ‘Waarom boog je?’, vroeg hij bijna kwaad.
‘Omdat je zo’n goed antwoord op mijn vraag had’, zei ik.

Wat hij toen zei, heb ik altijd goed onthouden. Luid en duidelijk sprak hij: ‘Voor een antwoord hoef je niet te buigen. Of het nou een goed of slecht antwoord is, je moet er nooit voor buigen.’

Ik knikte kort. Meteen had ik er spijt van, want misschien dacht Mika wel dat ik boog voor het antwoord dat hij net had gegeven.
‘Als je een buiging maakt, toon je respect’, ging Mika verder.
‘Voor een antwoord hoef je geen respect te hebben.’
‘Waarom niet?’
‘Een antwoord is altijd een stukje van de weg die achter je ligt. Alleen een vraag kan je verder brengen.’
Ik vond dat zo goed gezegd dat ik mijn kin met beide handen moest tegenhouden om niet opnieuw te buigen.

Uit ‘Hallo, is daar iemand?’ van Jostein Gaarder, overigens een uitstekend filosofieboekje voor kinderen.