All posts by i.

Wat we nodig hebben is een plan.

Tijdens de eerste golf, in het voorjaar, deden wij wat veel mensen deden: pompen om niet te verzuipen. De situatie was dramatisch, maar minder dramatisch dan op veel andere plaatsen en dat besef was er altijd. Het was hier thuis, zoals Maartje dat zegt, geen ramp, eerder een rampje.
Een dochter thuis (gezellig, dat wel, maar zo’n kindje alleen dat wordt snel eenzaam zonder anderen), een man in de cultuursector (hij schakelt gemakkelijk, maar heeft vooral iets nodig om zich op te richten voor mentaal welzijn) en ikzelf met een ambitieus jaar loopbaanonderbreking waarin ik twee masterjaren zou combineren (haha, dat was een goed idee zeg).

De eerste dagen, weken, zelfs maanden was zoeken. Pompen om niet te verzuipen. Het leek beter te gaan, toen in het voorjaar, eens we een plan hadden. Toen we vonden hoe we het moesten regelen. Toen we een ritme vonden, de draai van het leven in lockdown, wat echt telde, wat we wilden en aan welke perspectieven we ons konden optrekken.

Nu we weer die richting uitgaan en de tweede golf hoger blijkt dan verhoopt, wil ik sneller proberen om wat grip te krijgen. Concrete maatregelen. Houvast. Een plan. Want ik wil blijven drijven deze keer.

Daarom: wat is uw plan, voor de komende weken?

Foto door Maartje. Ze heeft een mooie boekenwinkel.

14 kinderen.

Deze blog staat al geruime tijd op een laag pitje. Dat heeft te maken met die opleiding, die goed loopt maar wel al mijn tijd consumeert, zeker in combinatie met de tijd die ik met mijn heerlijke man en kind wil spenderen en met andere engagementen. Dat wil zeggen dat schrijven, buiten de opleiding, er wat bij ingeschoten is. Dat is niet erg en ik ga er mij ook niet voor excuseren. Het komt wel weer terug, ik heb altijd al geschreven en vroeg of laat doe ik dat wel weer. Alles komt altijd goed.

Edoch. Een intermezzo in de stilte. Voor mijn opleiding kreeg ik een opdracht een paar weken geleden. Een vervangopdracht, want de geplande dataverzameling in scholen kon om evidente redenen niet doorgaan. Dus werd ons gevraagd om te reflecteren, als pedagogen, over de impact van de schoolsluiting op het leren van kinderen. Omdat de veiligheidsraad gisteren nog niets besliste en de scholen niet opengaan, gaan we naar een systeem van nieuwe leerstof. Dus misschien is wat ik 3 weken geleden schreef toch relevant. Ik heb geen mening over heropening en wanneer dat moet gebeuren, daarvoor ken ik niet genoeg van statistieken en epidemies. Ik heb wel een mening over onderwijs.
Ik dacht toen, drie weken geleden, na over hoe dat zit voor lager onderwijs, want daar ligt mijn hart en mijn ervaring. Wat doet de sluiting met onze kinderen? En is dat jaar nu hopeloos verloren, grote leerachterstand inclusief als we niet snel beginnen met online lesgeven? Ik post wat ik vlak voor de paasvakantie doorstuurde naar de prof integraal hieronder. To whom it concerns. Als misschien een extra perspectief, voor volgende week.


Bereken de oppervlakte van een vel toiletpapier en meet een tafel in je woonkamer op. Hoeveel velletjes passen er in de tafel? / Lees de achterkant van de verpakking van een product uit de kast. Draag deze zo expressief mogelijk voor en film jezelf. / Maak een stamboom en ga zo ver mogelijk terug. / Tel alle schoenen in huis. Hoeveel schoenen heeft elk van je huisgenoten gemiddeld? Wie is de mediaan? / Beeld een spreekwoord uit en neem daar een foto van.

Elke dag om 9 uur logt de dochter in op de Google Hangout van de klas, op haar eigen laptop. Wat een geluk dat ik vorig jaar de afgeschreven laptop van mijn werk kon overnemen voor een klein prijsje, bedenk ik. Anders had ze nu geen eigen toestel en moesten we kiezen: ik werken of zij werken. Wat een geluk dat wij internet hebben, bedenk ik. Wat een geluk dat ik een bureau heb waar ik even rustig kan zitten, terwijl zij pictionary speelt op Zoom met haar vriendinnen. Wat een geluk dat ik haar kan helpen met die formule om de oppervlakte te berekenen of met die mediaan. Ons gezin heeft, zoals iedereen, wat zorgen en veel stress in deze (noem-het-geen-)lockdown-tijden. Maar ook: wat een geluk.

Elke dag om 9h geeft juf drie of vier challenges door. Dat doet ze goed, die juf: het woord challenge gebruiken in plaats van opdracht sluit aan bij de leefwereld van de kinderen en motiveert hen al op zich. De opdrachten zijn uitdagend genoeg, toch haalbaar én ze kunnen offline uitgevoerd worden. Er worden geen instructies gegeven over hoe gedetailleerd iets moet en dat geeft ruimte voor differentiatie. Mijn kind verliest zich zoals altijd in details. Als ze een stamboom moet maken, dan belt ze de hele dag met grootouders en familie en loopt uiteindelijk vast ergens half de 19e eeuw. Haar stamboom wordt een groot kunstwerk dat dagenlang op de grond van de woonkamer ligt. Wat een geluk dat we stiften en grote bladen papier hebben, bedenk ik. En ruimte om zo’n werk te maken. En dat haar grootouders kunnen videobellen, dat ook.

Als ik haar vraag hoeveel kinderen de challenges doen, zegt ze “een stuk of tien”.
Er zitten 24 kinderen in de klas. En ondanks het feit dat ik blij ben met hoe de school dit aanpakt – met variatie, speelsheid, prikkels, uitdaging, nadruk op praktisch toepassen van wat ze al kennen – denk ik toch vooral: waar zijn die 14 andere kinderen?
Hebben ze geen laptop? Geen internet? Geen zin in challenges? Of zijn die verklaringen veronderstellen enkel het sussen van mijn eigen onrustig gemoed?

Voor ouders met een lagere SES is in het normale omstandigheden al moeilijker om betrokken te blijven bij het schoolwerk van hun kinderen. Niet omdat ze het niet belangrijk vinden, het is een kwestie van vaardigheden, achtergrond, kapitaal en draagkracht (Vellymalay, 2012). Die verschillen worden in de huidige omstandigheden mogelijk nog sterker.

Wij wonen in een Gentse buurt met een kwetsbare populatie. Op de school van mijn dochter krijgen tientallen kinderen elke dag een warme maaltijd, betaald door de stad. Wat eten die kinderen nu? Er is hier in de wijk veel armoede, veel miserie, middelengebruik, intrafamiliaal geweld, vaak verborgen achter muren van te kleine huizen. Leerkrachten houden kinderen in de gaten, er is enige sociale controle op die manier. Als het foutloopt, kunnen zij signaleren. Maar wie ziet nu of het foutloopt? Berkman (2008) beschrijft hoe in veel geïndustrialiseerde landen sociale programma’s voor kwetsbare kinderen voornamelijk vanuit de schoolcontext vertrekken. Gratis maaltijden, signaliseren, ondersteuning geven,… Scholen zonder voorbereiding sluiten zorgt ervoor dat deze ondersteuning wegvalt, met grote gevolgen voor kwetsbare kinderen en hun gezinnen.

De mensen in mijn wijk zijn bang, merk ik. De communicatie van de overheid komt niet altijd bij iedereen aan of is niet voor iedereen duidelijk. Mensen sluiten zich af, plooien terug op zichzelf. Kinderen die normaal op straat spelen zijn nu plots onzichtbaar geworden. Ze mogen niet naar school. Ze zitten niet op de Google Hangout. Esnard, Lai en Wyczalkowski (2018) beschrijven hoe de coping strategieën van ouders een grote invloed hebben op hun kinderen. Als ouders bang zijn in disruptieve situaties, zijn kinderen dat vaak ook. Omdat kinderen niet naar school gaan op dit moment, zijn er geen andere volwassenen die hen perspectief en nuance kunnen geven. Zijn we als samenleving zeker dat die kinderen ok zijn?

In de kranten staat dat er na de paasvakantie aan preteaching van nieuwe leerstof zal gedaan worden, want anders komt er leerachterstand van. Daar vallen een aantal bedenkingen bij te maken. Eerst en vooral: een eenvoudige rekensom (alles is opgefrist, na 3 weken homeschooling van een 10-jarige) leert dat de zes jaren lager onderwijs ongeveer 210 schoolweken tellen. Op het eind van die 210 weken moeten de kinderen de eindtermen behalen. Is het, mits wat verschuiving en flexibiliteit, niet mogelijk om dat ook in 200 weken te bereiken? Uit de resultaten van de wekelijkse coronastudie van de UAntwerpen blijkt dat de Vlamingen al in week 3 van de maatregelen slechter slapen, minder geconcentreerd zijn, meer druk ervaren en we ons neerslachtiger dan gewoonlijk voelen. De voorspelling is dat dit nog zal toenemen. Dus misschien moeten we geen extra druk toevoegen voor gezinnen nu? Misschien is ademruimte en rust geven op termijn waardevoller?

Een tweede bedenking is zo mogelijk nog belangrijker. Leerkrachten merken na de zomervakantie vaak een terugval in het leren van kinderen en die is nog sterker bij kinderen uit kwetsbare gezinnen. Onderzoek bevestigt dit: de negatieve impact van een lange vakantie op het leren is groter voor kinderen met een sociaal zwakkere achtergrond (Cauchemez et al., 2009). De huidige schoolsluiting is geen vakantie, maar zal ongetwijfeld op de leerprestaties van alle kinderen een invloed hebben. Dit blijkt na andere schoolsluitingen (bijvoorbeeld na natuurrampen) waar steeds een negatieve invloed op de academische prestaties werd vastgesteld (Convery, Balogh & Carroll, 2010; Scrimin et al., 2009). Nieuwe inhouden aanbieden dan maar en zo de schade beperken? Voorzichtigheid lijkt hier aangewezen, de 14 kinderen indachtig: als we een groep kinderen met een sterke achtergrond (die we nu bereiken) wél nieuwe inhouden aanbieden en de meer kwetsbare leerlingen zijn niet mee met dit verhaal, dan creëren we een kloof tussen deze groepen leerlingen die misschien, eens de scholen terug open gaan, nog moeilijk te overbruggen valt.

De laatste weken heeft het Vlaamse onderwijs grote sprongen gemaakt op gebied van digitalisering. Er werd gezoomd, geskyped, er werden kennisclips opgenomen en kinderen kregen opdrachten via allerlei digitale platformen. De Kahoots en andere online kwisjes volgden elkaar in sneltempo op. Dat is positief, we leren als leraren bij. De chaotische onoverzichtelijkheid van de eerste weken kan vergeven worden.

Van alle kanten wordt ondersteuning geboden, door kennisplatformen, pedagogische begeleidingsdiensten, lerarenopleidingen, uitgeverijen, techprofessionals. Leerkrachten werken keihard om toch maar hun leerlingen les te kunnen geven. Dat is op zich heel nobel en er valt niets op af te dingen. Maar misschien moeten we, nu we daar een beetje onze weg hebben gevonden, het accent verleggen. Neen, niet naar nieuwe inhouden aanbrengen. Misschien moeten we minder bezorgd zijn of de Vlaamse 10-jarige met twee thuiswerkende ouders wel voldoende onregelmatige Franse werkwoorden zal leren na de paasvakantie. Misschien moet onze focus verschuiven naar de kinderen die we nu nog niet bereiken. De 14 kinderen die niet op de dochter haar klashangout zitten, de duizenden kinderen over heel Vlaanderen die we nu uit het oog verloren zijn. We moeten vermijden dat zij van de radar verdwijnen en op zichzelf zijn aangewezen. Nu is het moment om actief naar hen op zoek te gaan. Om hen op te bellen, briefjes in hun bus stoppen, hen te betrekken. Maar vooral hen te laten zien dat hun school hen niet vergeten is.

De nieuwe Kahoots en online preteaching kunnen nog wel even wachten.

Bronnen
Berkman, B. E. (2008). Mitigating pandemic influenza: the ethics of implementing a school closure policy. Journal of Public Health Management and Practice, 14(4), 372-378.
Cauchemez, S., Ferguson, N. M., Wachtel, C., Tegnell, A., Saour, G., Duncan, B., & Nicoll, A. (2009). Closure of schools during an influenza pandemic. The Lancet infectious diseases, 9(8), 473-481.
Convery, I., Balogh, R., & Carroll, B. (2010). ‘Getting the kids back to school’: education and the emotional geographies of the 2007 Hull floods. Journal of flood risk management, 3(2), 99-111.
Esnard, A., Lai, B.S., Wyczalkowski, C. et al. School vulnerability to disaster: examination of school closure, demographic, and exposure factors in Hurricane Ike’s wind swath. Nat Hazards 90, 513–535 (2018). https://doi.org/10.1007/s11069-017-3057-2
Scrimin, S., Moscardino, U., Capello, F., & Axia, G. (2009). Attention and memory in school-age children surviving the terrorist attack in Beslan, Russia. Journal of Clinical Child & Adolescent Psychology, 38(3), 402-414.
Vellymalay, S. K. N. (2012). Parental involvement at home: Analyzing the influence of parents’ socioeconomic status. Studies in Sociology of Science, 3(1), 1.

Samengevat: kom dit weekend naar Maker Faire Gent. Ge gaat geen spijt hebben.

Do what you love, love what you do.

Ik had het daar al eerder over, toen ik vertelde over de soms wilde dromen van mijn man en hoe we altijd wel een manier vinden om daar dan een invulling aan te geven.
Ik geef u: het meest extreme voorbeeld tot nog toe.

Twee jaar geleden ging de man naar Eindhoven, naar de Maker Faire daar. Hij kwam terug met een voorzichtig “ik zou ook wel eens willen…”. Dat voorzichtige werd vastberaden, nadat hij ook die van Lille bezocht. Hij zag in het buitenland dingen en had daardoor ideeën over wat fijn was daar. En wat hij helemaal anders zou doen.
Gedragen en gemaakt door de community, zei hij.
Niet te corporate, zei hij.
Waar mensen niet alleen kunnen kijken naar, maar vooral dingen kunnen doen, zei hij.
Waar er geen kinderhoekje is, maar alles voor iedereen is en door elkaar. Zodat families samen kunnen komen. Dat zei hij.

Twee jaar geleden. Wat volgde was een lange zoektocht naar een locatie, naar partners die het verhaal mee zouden dragen, een hele procedure voor een licentie en heel veel organisatiewerk.

De man werd fantastisch ondersteund, door de heerlijke mensen die hem altijd ondersteunen. De laatste maanden waren stevig, want de combinatie met een tournee, mijn werk, mijn studeren en de dochter die ook veel aandacht verdient: dat was niet evident. Mijn ouders sprongen keihard bij. Onze vrienden, buren en familie bleken zoals altijd het meest fantastische netwerk dat een mens zich kan wensen. En nu is het dus zover. Na twee jaar zoeken, na maanden voorbereiden, praten en selecteren en na de laatste weken elk weekend keihard werken met een heerlijke bende vrijwilligers die alles opbouwden en vormgaven (vuistje, army of makers!)…dit weekend heeft mijn man zijn Maker Faire.

Of zoals hij dat zegt: ‘t is niet mijn Maker Faire, ‘t is de onze. Van de tientallen vrijwilligers. Van 100 makers die hun werk komen tonen en die zorgen dat bezoekers zelf kunnen ervaren wat dat is, “maken”. En die iedereen hopelijk goesting geven om zelf dingen te proberen.

Eigenlijk is ze al geslaagd, die eerste Belgische Maker Faire. Ik warm mij aan een bad van vriendschap en engagement, aan motivatie en de coolste mensen om me heen. Het was het allemaal waard, dat weet ik nu al.

En toch maak ik hier graag reclame. Want de kers op de taart zou zijn als u er massaal zou zijn, dit weekend. Want ik ben zo fier op wat hij heeft gedaan, ge hebt daar geen gedacht van. En ik vind al die mensen die hier hun schouders onder gezet hebben zo fenomenaal, dat ik hen het grootste succes ooit wens.

Het volledige programma staat op de website. Maar samengevat:

Het grootste deel van de Maker Faire is overdekt, dus laat de aankondigde polaire stroming u niet tegen houden. Ik wil u zo graag tonen wat het geworden is. Dus kom af.

En toen was het april.

Ahum.

Ge knippert met uw ogen en hopla, we zijn vijf maand later. April. De lente was een week in februari, die ging weer voorbij en toen werd het weer winter en nu komt er weer lente. Er staat een buitenhaard in mijn hof en ik kan daar pizza op bakken. Dat zijn schone vooruitzichten.

De heerlijke zekerheid van een blog: ook na maanden stilte is het niet meer dan een venster opendoen en “new post” klikken. En dan zijt ge plots terug. Hoi daar, internet.

Sinds november is het hier stil. Daar zijn redenen voor, waarvan ik sommige al weer vergeten ben.
Er was een eindspurt van een semester.
Er was een heerlijke mini-vakantie met vrienden.
Er waren feestdagen en familie.

Er was een première van mijn lief en hij ging op tournee.
Ik nam examens af en verbeterde die.
Ik studeerde ondertussen en legde zelf examens af. Ik vond mijn draai in dat studeren en dat was de grootste verwezenlijking van januari 2019. Waar ik vorig jaar onzeker was en niet goed wist hoe eraan te beginnen, had ik dit jaar mijn methode gevonden en lukte het wonderwel om dingen te verwerken op weinig tijd.

Behalve statistiek. Statistiek ligt zo ver uit mijn comfort zone dat als ik statistiek aan het studeren ben, dat mijn gevoelens over wat ik kan en mijn perceptie over mijn aantal hersencellen allebei zware dieptepunten bereiken. Ik ben erdoor geraakt, hakken over de sloot, maar dat blijkt dus niet evident. 25 jaar zonder wiskunde zal er wel iets mee te maken hebben ongetwijfeld. Nu nog 3 statistiekvakken. En wekelijkse bijles.

Ondertussen is het tweede semester begonnen en alweer bijna klaar. Ik gaf les, deed stagebezoeken en volgde zelf les. Veel prikkels, veel ballekes om in de lucht te houden en permanent te weinig tijd. Paasvakantie dan maar.
Ik ging naar zee en maakte een planning voor de examens die er nu aankomen (waarover later meer). En we zijn hier thuis ook bezig met Een Groot Project (waarover later meer).

Maar nu is er dus een voornemen: weer af en toe schrijven.
Want ik mis mijn blogerf wel.
En jullie.

Dus daarom: first things first.
Hoe is’t met jullie eigenlijk? Of zijn jullie nu allemaal weg en komen jullie nooit meer terug?

Zo gaat dat dan.

5 november 2018. Zij is vandaag 9 jaar, 2 maand en 29 dagen.

De moeder had geen brood in huis gehaald vanmorgen en dus mocht ze tussen de middag thuis komen eten. Gestolen lunchkes in drukke werkweken, dat is altijd een traktatie.
Het gesprek komt om de gebaarde man. Hij-met-de-mijter. Jan Decleir, maar dan in ‘t echt.

A. zegt dat het eigenlijk de mama’s en de papa’s zijn die dat doen.

Ik overweeg een mop over California Dreaming, maar mijn alarmbel gaat iets te fel af als ik de blik in haar ogen zie.
De moeder besluit haar al jaren onfeilbare strategie in te zetten. Ik heb haar namelijk nooit gezegd dat hij bestond. Ik heb ook nooit gezegd van niet. Bij elke vraag, al jaren, speel ik consequent de bal terug.

Hoe komt hij eigenlijk binnen als onze schouw niet open is?
Wat denk je zelf?
Waarom is die Sint in de JBC zo anders en praat die Gents?
Wat denk je zelf?

Al jaren spint ze eigenhandig een web van verhalen voor zichzelf. Ze heeft haar eigen kinderfeest en goedheilig man bij elkaar gefantaseerd, beter dan ik het ooit voor haar had kunnen doen.

A. zegt het het eigenlijk de mama’s en de papa’s zijn die dat doen

En wat denk jij zelf, liefje?

En dan zie ik tranen in haar ogen. Haar lip trilt en ze zit al bij haar vader op schoot. Ze verstopt haar gezicht en weent vertwijfeld: ik weeeet het niet. Ik weet het niet, want ik weet niet wie ik moet geloven: mijn beste vriendin of mijn mama en papa.

Het moment was daar. Ik vertelde over hoe alle ouders en grootouders allemaal samen het feest organiseren, speciaal voor de kindjes. Hoe we dat doen voor hen en zo een mooi verhaal maken voor hen. Maar hoe het inderdaad de volwassenen zijn die dat doen.

Ze stelt vragen. We antwoorden. Ze lijkt opgelucht.

Dus dat boek? Met die stoute kinderen? Dat is ook niet echt? Jeez.

Als ik tien minuten later zelf naar mijn les fiets, terwijl haar vader haar naar school brengt, moet ik mijn tranen verbijten.

Ik kan het bijna niet geloven, dat hij niet meer bestaat.