All posts by i.

Over het internet, Kim en een boek. #honger #marketingplan

Het internet, dat is toch iets schoons, dacht ik dit weekend terwijl ik een pdf binnenhaalde van een kookboek met recepten die ik zou gaan uittesten de komende weken.

De pdf kwam van Kim. U kent haar misschien als Mme Zsazsa maar hier ten huize verandert haar naam regelmatig. Dat zijn echter dingen waarover ik u weinig kan mag vertellen. Ik heb al te veel gezegd.

The thing is, Kim en ik, eigenlijk gaan wij zoals dat heet way back. Er was namelijk een tijd dat nog niet zo veel mensen een blog hadden, en dat zowat iedereen online elkaar wel op één of andere manier kende. Iedereen las iedereen, en linkte naar elkaar en gaf commentaar. Het hele Vlaamse internet paste toen in één feestzaalke ergens in Antwerpen en Lays Chips sponsorde.
De Madame en ik waren bovendien, in dat verre verleden, ook eens toevallig gelijktijdig zwanger. Zo begon er een mailconversatie over alle plezierkes ongemakken die een baby in de buik en kort daarna een baby uit de buik met zich meebrengt. Er ging al eens een postpakket over en weer (cakemix! opvoedingsboeken!) en met de komst van de facebook lagen De Kempen ineens nog dichter bij Gent.

Later werd Kim een Gevierde Auteur en kreeg ik een boek over rokjes naaien toegestuurd met daarin “Het enige exemplaar dat nooit gaat gebruikt worden” erin geschreven. Ze is soms behoorlijk grappig. Of dat vertellen we haar toch, want ze is wat labiel tegenwoordig en we moeten een beetje voorzichtig zijn met kritiek.

Het internet is iets schoons.

Kim en ik zijn in al die jaren één keer samen gaan eten. Een paar maand geleden was dat pas.
Dat is behoorlijk bijzonder, want we horen elkaar ondertussen al jaren dagelijks minstens een paar keer. Op allerlei uren van de dag en de nacht. Over de zotste, onnozelste dingen en over de grootste miserie. Maar echt afspreken was er gelijk nog nooit van gekomen, en we hebben dat ook maar beseft eens we daar in dat restaurant zaten. Omdat het eigenlijk niet als een gemis voelt. Het is wat het is, en dat is heel schoon.

Dus als mensen tegen mij zeggen dat internet slecht is voor de sociale interactie van mensen, dan discussieer ik daar niet over. Ze mogen dat vinden van mij. Ik heb toch geen tijd om te argumenteren, want ik moet recepten uittesten. Voor mijn online vriendin.

Ziet er lekker uit hé? Awel, eind september ligt het boek in de winkel. Honger. Onthou die naam.

Dat is maar goed ook.

Ze hebben geen idee.

Ik moet het de afgelopen weken al honderd keer hebben gedacht. Ik dacht het terwijl ik naar haar keek, daar in die klas die ze begeleidde en toen ik stil glimlachte omdat ze dat zo mooi deed. Ik dacht het terwijl ik hen vertelde over dat ik wist hoe zwaar het nu was en hoe ik zeker was dat alles goedkomt. Ik dacht het op die bank, na dat gesprek, toen het minder liep. Toen ik even tien minuten moest zitten en mijn hoofd weer op orde moest krijgen voor ik naar huis kon.
Ik denk het elke keer als ik één van hen in de gang vraag hoe het gaat. Ik denk het als ik hun vermoeide gezicht zie, ik denk het als ik hen hoor praten over hun klas en hun dromen en hun bang zijn.

Ze hebben geen idee, denk ik dan.

Ze hebben geen idee hoe hard ik met hen meeleef. Ze weten niet hoe eenzaam en moeilijk het soms is om dingen te vertellen die ze misschien wel weten, maar eigenlijk niet willen horen. Ze weten het niet, hoe ik dagen loop na te denken over hoe ik iets kan verwoorden zodat ik duidelijk ben, maar toch genoeg respect toon. Ze hebben ook geen idee hoe ik mij voel als iemand van buiten de opleiding een compliment geeft over één van hen. Hoe ik dan blink van trots en hen duizend vuistjes wil geven.

Het is niet erg, dat ze het niet weten. Want dat komt nog wel. Binnen niet zo heel lang staan ze hier namelijk zelf, aan de lerarenkant.

Dan is het hun beurt om bezorgd te zijn, om woorden te wikken en te wegen. Hun beurt om trots te zijn en te glimlachen. Hun beurt om ‘s nachts wakker te liggen over dat ene kindje in de klas. Hun beurt om honderd keer te vragen hoe het gaat en alles nauwgezet in het oog te houden.

“Ze hebben geen idee,” zullen zij dan denken. “En dat is maar goed ook.”

Maand 1. #circulatieplan

Ik kwam het al te zeggen, toen ik erover schreef na een week: ik zou ook nog schrijven na een maand. Dat is nu! Of bij benadering nu, maar ik ben een beetje gelijk het openbaar vervoer: stipheid is nooit echt mijn ding geweest. (BAM. Direct een mobiliteitsmopje.)

In deze eerste maand circulatieplan zaten drie Echte Werkweken. Voor mij de werkelijke test. Want eerlijk? Fietsen in mijn vrije tijd en voor boodschappen, dat is allemaal nog niet zo’n onoverkomelijk probleem. Op werkdagen echter, terwijl ik vaak van hot naar her cross: dat zag ik eigenlijk wat minder zitten. Bovendien heb ik een hekel aan natte kleren en ben ik absoluut geen ochtendmens. Dus het vooruitzicht op om half acht ‘s morgens in de regen naar het hoogste punt van Gent te fietsen, dat was nu niet echt een droom van hoe ik mijn dagen wil beginnen.

De statistieken, want meten is weten

– Op 13 werkdagen sinds start circulatieplan, nam ik 8 dagen alleen maar de fiets. Dat is — snel uitgerekend — 8 keer meer dan voor het circulatieplan.
– Ik werkte 1 dag thuis, en nam 4 keer mijn auto. Maar daarover later meer.
– Op die 8 dagen fietsen kwam ik één keer doornat op het werk aan. Het was met hagel en onweer. Dat was op dag 1 van het circulatieplan, en het voelde een beetje alsof het universum mij iets duidelijk probeerde te maken. Gelukkig ben ik bij momenten optimistisch van gemoed en las ik de verborgen boodschap als: “Kijk i., dit is het slechtste dat kan gebeuren”.
– Op 8 fietsdagen hielp ik 4 kokerrokken om zeep. Ik laat dat even bezinken. VIER. Ik zie daar geen directe oplossing voor, maar ik heb wel enig vestimentair denkwerk te doen, zoveel is duidelijk. Ik draag namelijk kokerrokken en plan daar niet mee te stoppen. ER ZIJN GRENZEN, GENT, OOK VOOR MIJ.
– Voor onze vrijetijdsbesteding namen we enkel de fiets, en het aantal ritten liep al gauw tegen de 20: uitgaan in Gent, uit eten, naar de bloemenmarkt, naar een tentoonstelling, kleine boodschappen. Flinkigheid, uitgespaard taxigeld en altijd overal rapper dan met de auto. Zeer content van.

Die keren dat ik de auto nam
Continue reading

Er is weinig was.

“Ik heb drie keer geweend. Dus dat viel mee.”
“Oh? Toch drie keer? En waarom?”
“De eerste keer toen we vertrokken op de bus, omdat ik dan sowieso moet wenen.
De tweede keer toen de bus aankwam op bosklas, omdat ik dacht dat ik ging moeten overgeven.
En de derde keer toen we de tweede dag soep kregen die smaakte zoals de soep die jij maakt. En toen moest ik jou missen.”

Ze gaat vaak logeren aan zee, maar dan bel ik elke dag wel eens om dag te zeggen.
Tijdens een bosklas belt ge niet en hoort ge weinig. Er is een af-en-toe-facebook-foto waarop alle ouders dan vast even hard zitten speuren naar hun kind.

Ik speurde hard, ja, want deze editie was voor mij een lastige.
Meer dan de eerste keer toen me verzekerd werd: “oh, die weent vijf minuten op de bus en dan amuseert ze zich.” Ik geloofde dat, natuurlijk, en zette me over de vertrektranen heen.
Na drie dagen kwam ze terug: ze had zich niet of maar matig geamuseerd, had veel verdriet gehad en besloot toen dat ze *nooit* meer elders ging slapen als wij of haar grootouders er niet bij waren.

Enfin. Een jaar later slaapt ze al af en toe bij vriendinnen, maar ze blijft kieskeurig. Een jaar groter zag ze het iets beter zitten om op bosklas gaan, maar we kregen wel een paar weken van stress-buikpijn en veel gedoe.
Ze stapte woensdag “ik ga flink zijn” mompelend op de bus en weende haar vertrektranen.

Ik mompelde hetzelfde, want rationaliseren is mijn ding. Maar ik ben niet beschaamd om toe te geven: mijn onrustig hart werd drie dagen lang met moeite gesust. Want vorig jaar. Ik telde vrijdag dan ook de uren af.

En ze had tranen in haar ogen toen ze naar me toespurte. En haar vastpakking was stevig en lang. Maar ik zag ook een glimlach, en ze fluisterde “Het was leuk. Echt leuk.”

Met een hese stem. Want te weinig geslapen.
En vuile kleren want ik heb die al twee dagen aan hoor, natuurlijk zijn die vuil.

Ze stonk een beetje, zoals dat gaat na zo’n avontuur. Maar het rook vooral naar een kindje dat opeens veel groter is geworden.

Mijn man kan iets.

Meer dan een half jaar geleden vertelde ik over het youtube-kanaal van mijn man. En over op een bepaald moment gewoon doen waar ge van droomt, en hoe het dan eigenlijk nooit verkeerd kan zijn.

(Of zoals hij het zelf in Winteruur vertelde: J’ai toujours voulu le faire.)

Portret Henk Rijckaert, 2016, Working Class Heroes, Atelier, Gent, Hout, knutselaar, Comedian,

Ondertussen zijn er meer dan 30 afleveringen van De Koterij. Dat betekent dat hij 30 projecten heeft gemaakt, gefilmd, van zelfgeschreven muziek voorzien en online gezet. Elke dinsdag, al 30 weken lang.
Hij kan ondertussen duusd keer beter monteren dan in week 1, en heeft zichzelf geleerd hoe ge vaart en variatie en leutige effecten in zo’n youtubefilmke steekt. Hij ging naar andere mensen hun kot en vatte het plan op om dat binnenkort nog meer te doen. Hij experimenteerde, begon met rubriekjes, maakt nieuwe plannen. En ik bedacht daarnet, toen ik hier op mijn comfortabel plekje aan de zijlijn naar de aflevering van deze week keek: het is precies bijna een tv-programma aan het worden. Maar dan cooler.

Ik ben gigantisch fier dat hij dat allemaal kan en zomaar doet. En ik dacht: ik vertel het nog eens aan de mensen. Aan u dus.

Ik lees elke week ook de comments en ben oprecht content met het engagement van zijn kijkers. Zoveel toffer dan bij tv, waar ge alleen maar kunt raden naar wat iedereen denkt. Mensen geven commentaar en duimpjes, maar ook tips over wat hij nog had kunnen doen. Ze sturen links door naar andere filmpjes en vertellen zelf ervaringen. Meestal snap ik er weinig van, maar het ziet er allemaal leuk uit en de mensen zijn lief. Een warm nestje op het internet, dat is het, die koterij.

Dus: kom er anders ook bij, als dat nog niet zo is. Neem een abonnement (klik hier).

Maak mijn man blij, want hij verdient dat.