In een bokaal.

Ik durf het toe te geven: ik kan bij momenten nogal maniakaal in een nieuw projectje verdrinken. Meestal tot het volgende passeert waarvan ik denk “moh gow, zo cool” om dan alles te laten vallen en in iets helemaal nieuw te duiken.
Zo komt dat dat ik plotsklaps kon programmeren, weet hoe ge een website maakt, u kan onderhouden over de ziektes in uw moestuin en absurd veel ken van verfsoorten en hoe ge oude kasten het best restaureert.

In de keuken is het van hetzelfde, dat is evident: om de zoveel tijd heb ik een nieuwe obsessie. Dan ben ik bijvoorbeeld weken na elkaar bezig met allerlei soorten broodpudding. Of maak ik elk weekend minestrone. Of ik brouw duizend varianten op ice-tea.

Tegenwoordig steek ik dingen in bokaalkes.

Het is allemaal begonnen met confituur uit melancholie. Toen volgden wat augurken van de boerderij, en een zotte oogst tomaten. En toen ik recent het boek van de Superette las (ja, weeral Dorien. Dorien is mijn goeroe, geloof ik), begon het steeds meer te kriebelen. Dus kocht ik Food in Jars en haalde ik Van het huis en het al eeuwen rondslingerende The Art of Fermentation weer boven.

En sindsdien steek ik altijd maar meer dingen in bokalen.

Wortels, bijvoorbeeld, of hier van links naar rechts: pickles van aardperen, zoetzure bietjes en een starter voor gemberbier.

FullSizeRender (6)

Maar wat ik eigenlijk wilde vertellen. Deze week kocht ik geheel stoemelings een heerlijk boek. Gewoon in de Supra Bazar (ze hebben er écht alles!), in de veronderstelling dat het een recent boek was. En hoewel er op de kaft staat “2014”, durf ik te betwijfelen dat er de laatste pakweg dertig jaar nog een update is gebeurd. Want zo peinzend poseren met potten mirabellen en een earlyeightieskapsel: ik zie dat tegenwoordig niet meer zo vaak, eigenlijk.

Image (1)

Ik heb het boek dit weekend in één keer uitgelezen, ondertussen mijn echtgenoot om de haverklap enthousiast lastigvallend met het voorlezen van zinnen als “De ervaren huisvrouw weet zeker en vast dat er ook voor een goede runderrollade een geschikte Weckpot is.” en “De trechter is een onmisbaar accessoire. Gedaan met gemorste bessen op de keukenvloer!”

Edoch. Mijn allerfavorietste passage (het was moeilijk kiezen) is het gedeelte waarin de firma Weck een pleidooi houdt tegen de trend van tegenwoordig, het diepvriezen van voedingswaren.

FullSizeRender (7)

Ik weet niet hoe dat bij u zit, maar als er hier ooit een kerncentrale-blackout van komt, dan hebben wij tenminste nog onze bokaaltjes. Om van die keukenvloer zonder gemorste bessen nog maar te zwijgen.

Erfgoed.

Ze fluit bewonderend en ze aait zacht de klosjes.
“Zo veel verschillende kleurtjes groen. Waarom is dat?”

Ik zeg dat ik dat niet weet maar dat ik denk dat meme misschien vaak groene jurken naaide. Ze kijkt me niet-begrijpend aan. Ik leg uit dat de doos met klosjes garen niet van mij is, maar van meme, haar overgrootmoeder. Die is ondertussen al meer dan twee jaar niet meer hier, maar dochter praat nog vaak over haar. Ze weet ook wat hier in huis uit haar huis komt: de kom met de mooie bloemen voor de salade, de koffietassen, die ene vaas, de soepkommekes. De taartenscheppers.

Van de doos met naaispullen wist ze het niet, zo blijkt. Ik leg uit dat toen we na de begrafenis het huis leeghaalden, dat iedereen al een doos vol naalden en garen en ritsen en knopen bleek te hebben. Iedereen behalve uw moeder, mijn kindje, die heeft zichzelf tot haar 36ste beholpen met een reisnaaikitje en een nietjesmachine.
Dat ik dus al het naaigrief had meegenomen. Omdat je naaispullen van iemand die naaister-van-beroep was niet kan weggooien.

Ze luistert aandachtig naar mijn verhaal. Rommelt wat in de blikken doos en glimlacht dan breed.

“Meme naaide ook vaak roze jurken, denk ik.”

***

Dit stukje hierboven schreef ik maanden geleden in een boekje, maar door het leven en de drukte geraakte het nooit hier. Tot ik het vanavond opzocht en overtikte.

***
Dit is de machine waarop het kleedske van mijn communie werd genaaid door mijn Meme. En ik heb ze aan de praat gekregen.

Ik dacht weer aan het stukje omdat ik eerder deze week eindelijk ook deze schoonheid bovenhaalde. Een erfenis uit dezelfde naaikamer waar ooit mijn communiekleedje werd genaaid. Ik spendeerde een avond onder een warm dekentje van melancholie terwijl ik ze aan de praat probeerde te krijgen. Ik stikte wat proeflapjes om te kijken wat ze aankon — zoals voorspeld: zeer veel. Daarna begon ik aan een jurkje voor de pop van de dochter.

Ik bleek naaigaren te hebben in precies de juiste kleur roze en kon niet stoppen met glimlachen.

Alles van waarde is weerloos.

alles van waarde is weerloos
wordt van aanraakbaarheid rijk
en aan alles gelijk

als het hart van de tijd

– Lucebert –

1012708_10209047672938066_4971957070685835789_n

(Tekening door Randall Casaer)

Dagen als deze. Gisteren met verbijstering en localiseren en afschuw en woede en een hoofd dat dingen blokkeerde. Mijn hersenen susten mijn lijf: “Dit is erg. We moeten nu even wachten tot het voorbij is en we weer kunnen kijken.” en ik werkte zo goed als dat kon verder. Dacht na over wie ik moest helpen, en wat ik de pup zou vertellen. Ik dronk koffie met dierbaren en stuurde sms’en met scheldwoorden naar anderen.

Ik keek geen filmpjes, klikte geen foto’s aan. Ik keek het nieuws om zeven uur en zette daarna de tv uit. Ademde diep in en uit, en besefte dat mijn hele zijn sinds november in Parijs mechanismen heeft ontwikkeld om hiermee om te gaan.

Er zijn veel dingen die me kwaad maken vandaag en dat is er één van. Dat ik gisteren aan de dochter vertelde dat dit in het nieuws was omdat het niet vaak gebeurde. Dat ik daarna besefte dat ik zo rustig bleef omdat het te vaak gebeurde.

Griepvaccin.

Op mijn werk mag ik spelen met scheerschuim. En gij?

“Oh, wat een fijn klein klasje” zei ik, rondkijkend naar de acht spelende kleuters in de hoekjes.
“Mjah. Normaal zijn het er 26.” antwoordde ze.

Griep was de rode draad in deze stageweek, en ik heb het in jaren zo hevig niet geweten als dit seizoen.
Ik kwam in klassen waar het ergste net voorbij was (“Elke dag komen er een paar terug nu”), in klassen waar de halve groep hoestte als een mijnwerker na 25 jaar in het stof onder de grond, en in klassen waar iedereen zich schrap zette voor een nieuwe aanval.

De Echte Griep, ik heb die zelf één keer gehad, jaren geleden. Twee weken echt ziek geweest — genre niet uit bed kunnen — en de zes weken daarna op 50% geleefd: moe, herstellend, bij het minste weer helemaal paraplu. Sindsdien laat ik me vaccineren, hoewel ik niet tot de risicogroepen behoor.

Mensen fronsen vaak als ze dat horen.

“Waarom zou je dat doen?” vragen ze. “Het griepvaccin beschermt toch geen 100%?” of “Ik las dat ze het virus niet juist hebben gegokt!”.
En mijn favoriet “Goh, dat kan geen kwaad hoor, als uw lichaam eens een griep moet doorstaan, dat is goed voor uw weerstand. Zo een gezonde jonge vrouw gelijk gij.”

Ik discussieer daar niet meer over, ondertussen. Ik leg al lang niet meer elke keer uit dat in 16 verschillende lagereschool- en kleuterklasjes komen op een week tijd mijn risico op besmetting wel een klein beetje verhoogt in vergelijking met een doorsnee bureaujob. Ik vertel niet over kindjes die niezen in mijn gezicht en hun handjes afvegen aan mijn trui.
Ik geef zelfs mijn argument niet over dat als ik uitval, dat mijn collega’s dan mijn stagebezoeken moeten opvangen.

En ik zeg niks meer over hoe ziek ik ben geweest, die keer met De Echte Griep. Ik haal mijn schouders op, en zwijg.

Maar toen ik daar dus zat, op dat kleine stoeltje, in die klas met die 8 kindjes van de 26, toen was ik stiekem best blij met mijn kunstmatig geïnjecteerde anti-stoffen.

Ik zou dat iedereen aanraden, geen griep krijgen.

Ik kan nauwelijks wachten.

Ghost Rockers, kent ge dat? Neen?
Dan hebt ge naar alle waarschijnlijkheid geen kinderen in de leeftijdscategorie van 6-10.

Want Ghost Rockers, dat is het helemaaaaal momenteel, bij de lagereschoolkinderen van vandaag. Of toch alleszins in elke klas waar ik kom deze dagen: elk nummer wordt foutloos meegezongen, elke aflevering zeker drie keer bekeken. Mijn eigen pup heeft ook een muts zoals Milla heeft. Want ja.

Ik ga er — ik ben niet beschaamd, neen — allemaal nogal gewillig in mee. Want hoe commercieel het ook is, het is met gitaren en avontuur en het is ook voor het allereerst niet één of andere irritante tekenfilm waar ze wild van is. (JA DORA IK KIJK NAAR U MET UW DWAZE RUGZAKRUGZAK)

Dus gaan we naar de stad als we horen dat de nieuwe CD uit is, speciaal om die te halen. Dus bestel ik kaarten voor de inconcert-toestanden, binnenkort. Gewoon, omdat ik nog weet hoe het was om als kind zo wild van iets te zijn.

Vanavond was de seizoensfinale, en we keken samen. Alleen had ze vast te spanning niet aangekunnen, dus ik hield haar hand vast en suste haar onrust. Ze gaan vast niet dood, liefje, anders zou Studio 100 geen derde seizoen kunnen maken en Gert Verhulst is ook niet zot hoor.

Achteraf praatten we over films. Ik vertelde haar over alle dingen die ik herkende in Ghost Rockers en liet youtube-fragmenten zien. Van Speed. Van Dirty Dancing. Van Fame.

Ze keek met open mond naar John Travolta die you’re the one that I want zong, ik toonde wie E.T. en de Gremlins zijn, en er passeerde zelfs een fragmentje Top Gun. Ze hing aan mijn lippen, die altijd maar breder glimlachten. Ook omdat ik naar Tom Cruise met een pilootbril mocht kijken, natuurlijk, we gaan daar niet onnozel over doen.

Top Gun

Ik realiseerde me, door haar enthousiasme, dat ik heel binnenkort eindelijk een geldig excuus heb om mijn hele jeugd opnieuw te bekijken.

Wat is eigenlijk het AVI-niveau voor ondertitels?