En al

En al Ja!

Shoppen on the edge

Vorige zondag, onder het rustig flaneren door de Gentse binnenstad, liepen we tegen K. aan. Niet letterlijk natuurlijk, maar hij kwam van de ene kant van de straat en wij van de andere en dus kwamen we elkaar zowat midden de straat tegen. Dat was toeval, want K. woont helemaal niet in Gent.
Dat K. daar rondliep was bovendien een zeer gelukkig toeval, want deze jongeman is in het bezit van een ma die als wandelende encyclopedie over rommelmarkten, veilingen en tweedehandszaken mag gelden. K. wist ons, onder het genot van een Guiness op een zonnig terras, te vertellen dat het kijkdag was in DVC en dat er wel “wat schoon grief tussenstond”.

Wijle dus daarheen, en we werden er prompt verliefd op deze twee prachtige sixties-zeteltjes.

Nu ben ik een absolute leek als het op veilingen aankomt. Pas op, ik heb dat al gezien in de films en zoals iedere rechtgeaarde internetter heb ik reeds een paar aankopen gedaan op ebay. Maar in het echte leven is het fenomeen “openbare verkoop” me volkomen vreemd. Al die grote, volwassen mensen die zwaaien met bordjes en dingen kopen die ik me toch niet kan permitteren (kasten, kunst, een huis)…ik heb daar nix te zoeken, in zo’n veilingkot.

Edoch, nu lagen de kaarten anders. Het ging hier om De Twee Mooie Zeteltjes ( ja, we vonden ze zo leuk dat ze met hoofdletter geschreven moeten worden vanaf nu). Wij – lief, vriendin S. en ikzelf- trokken gisteren dan maar onze stoute schoenen en een ietwat overmoedige jas en snorden richting veilingzaal. Spannend!

Een behoorlijk volle zaal, zo bleek na aankomst. Veel bordenwapperende mensen en een ratelende meneer-met-microfoon vooraan “200 euro, 220 euro, 240, 260, iedereen voldaan voor 260 euro, iedereen voldaan voor 260, 280, 300 euro, iedereen voldaan voor 300 euro, iedereen voldaan voor 300 euro”*slaat met hamer op bankje*“verkocht voor 300 euro aan meneer”.

Het was even wennen, al dat gewuif en gezwaai en hamergeklop. Bovendien ging het wel erg snel: *zoef* daar was een kast en*zoef* vijftien seconden later was die verkocht, aan één van de honderdtwintig mensen die er op hadden geboden. Ik werd er zowaar een beetje moe van.

Desalniettemin voelde ik mijn ondertussen legendarische spenderingsdrang opkomen en moest ik bij elk nieuw lot steeds harder de neiging onderdrukken om mijn hand op te steken. Het heeft niet veel gescholen of we hadden een heel appartementsgebouw kunnen meubileren met mijn onbezonnen aankopen.

Gelukkig was ik er niet alleen en was er ook enig ander entertainment voorzien om me af te leiden van de goodies op het scherm. Het lief kreeg de slappe lach toen de veilingmeester een rood vaasje “een geschenk van het vuur noemde”, er was enige commotie over een kast die te weinig opbracht en met stijgende verbazing zagen we hoe lelijke art-deco beeldjes (postuurkes, zeggen ze bij ons) van eigenaar wisselenden voor absurde prijzen. Dames boden gezwind duizenden euros voor lampen die ik zelf bij het grof huisvuil zou plaatsen, waarna hun heren met de glimlach de bestelbon aftekenden. Vreemde mensen, die vijftigers.

De Heel Mooie Zeteltjes hadden de welluidende naam ” lot 272 “ toegekend gekregen en dat gaf ons gelukkig enige tijd om de concurrentie te bepalen. Een goede strategie leek ons immers een onontbeerlijk element om dit veilingspel te winnen. Omdat we op dat andere belangrijke element, zijnde het bezitten van bijzonder veel geld, iets zwakker waren moesten we het dus van onze intelligentie en concentratie hebben.
Na eliminatie van het art-deco volk (gegoede generatiegenoten van de ouders) en de kijkers (staan achteraan aan de toog een beetje te draaien), bleven er maar een paar bieders meer over. Veilingzalen zijn duidelijk niet de favoriete hang-out van het jonge volkje.

De concurrentie op een rij…

1- Jongen met bakkebaarden: bakkebaarden zijn een onmiskenbaar signaal van een voorliefde voor al wat oud en rokenrol is. Ik kan het weten, het lief is zowat de über-bakkebaard.

2- Opkoper: had ons bij het begin van de veiling al verwittigd dat hij op loten vanaf 250 kwam bieden. Grmpf. Ze zouden het moeten verbieden, opkopers. Die hebben veel te veel geld.

3- Jong koppel 1: bleek de broer van bovenvernoemde kameraad K. te zijn, zodat een praatje genoeg was om uit te maken dat zij niet voor De Hele Mooie Zeteltjes kwamen.

4- Jong koppel 2: te duchten vijanden. Kochten plastiek en kleurrijke toestanden. Hij: een dreadlock-kapsel, wat ik onmiddelijk een slecht teken vond. Dreadlocks schreeuwen nl. “tweedehands” en “coole meubels”. Zij: een flashy roze pulleke en een hippe bril. We hebben de hele avond voor hen geduimd zodat ze alles wonnen waar ze op boden, in de hoop dat hun geld tegen lot 272 op zou zijn.

Volgende stap in de strategie: de taakverdeling. Aangezien ik zonder twijfel de kalmste ben van ons beiden en het meest zelfbeheersing heb, werd ik belast met de taak van het bordje zwaaien. Lief en vriendin S. zouden mij flankeren ter morele ondersteuning. We bepaalden een maximumbudget (een aanrader op veilingen! Zeker voor mensen met een voorgeschiedenis van impulsieve aankopen…) en concentreerden ons ter voorbereiding van het grote moment.

Focus.
Focus is belangrijk.

“Lot 272. Twee zetels ‘Man’ en ‘Vrouw’ uit de jaren ’60, ontworpen door de Franse architect André-joseph Motte met typische vorm en afwerking, met fijne chromé-buispootjes en originele stof. ”

De rest, lieve lezertjes, is geschiedenis. Ik heb de volgende 15 seconden met een bordje gezwaaid als een coole madam die al jaaaaaaren ervaring heeft met dat soort evenementen. Ik wist niet of het bod aan mij lag of niet, ik heb gewoon gewuifd tot ik de maximum-prijs hoorde die we hadden vastgelegd.
En toen ben ik -ietwat- teleurgesteld gestopt met wuiven. *Snif*. Want iemand anders had ook onze prijs geboden. En daar gingen wij dus niet boven, principieel als we zijn.

“Iedereen voldaan? Verkocht aan de jongedame.”

De hamerman wijst in mijn richting.
(…)
Hé. De hamerman wijst in mijn richting. Vreemd. Iemand anders achter mij zal het gekocht hebben. De trut. Ik kijk achterom. Geen jongedame.
(…)
Het meisje met de bestelbon staat naast mijn stoel en wil mijn handtekening. Nou nou, dat is lachen.

Blijkbaar had ik dus -zonder het te beseffen- het hoogste bod uitgebracht. En zijn we nu dus eigenaar van de Twee Heel Mooie Zetels. Olé olé!

En al

Het experiment (2)

Het is woensdag vandaag, dus zoals beloofd zullen wij vandaag de resultaten van mijn vermoedelijke paranormale krachten evalueren.

Ik zei dus:

Ik hoop dat binnen een week de lente echt doorbreekt.

En wat zien wij vandaag bij onze vrienden van het KMI en de BBD?

Donderdag: 18, wisselend bewolkt en droog
Vrijdag: 17, wisselend bewolkt en droog
Zaterdag: 21, wisselend bewolkt en droog
Zondag: 26, wisselend bewolkt en misschien wat onweer

Laten we wel wezen: het is duidelijk dat de lente is begonnen. Behold the power of i. !

U mag nu een tempel ter mijner eer oprichten en alvast beginnen met het brengen van royale geldoffers.
Onderwijl houden wij hier op het hoofdkwartier nog in beraad wat het volgende wonder zal worden. Suggesties zijn welkom, maar zullen niet noodzakelijk gevolgd worden.

En al

Flink en niet flink

Goed: voor de tweede (!) keer deze week zwemmen geweest. Elementair voor grote plan om binnen 3 maand (a) er beachable uit te zien en (b) fysiek in staat te zijn de Machu Picchu te doen.

Slecht: door honger vanwege flinke zwemmen zonet halve blok Maredsous-kaas naar binnen gespeeld. Beetje misselijk.

En al Van een ander

De ontembare vrouw

Er zijn zo van die lesgevers waar je, jaren na het afstuderen, nog steeds af en toe aan terugdenkt. Omdat ze fantastisch les konden geven, omdat de materie die ze behandelden zo interessant was, of gewoon omdat het fijne mensen waren.

Dat heb ik dus met Dhr. Bienstman. Deze meneer was lector didactiek, sociale agogiek en godsdienst op de lerarenopleiding toen ik er studeerde. Ik weet niet of hij nu nog werkt, maar ik denk alleszins nog af en toe glimlachend terug aan zijn lessen.

Wat hem zo uniek maakte was de combinatie van gedrevenheid, wijsheid en absolute geschiftheid.
Dit is de kleine mollige man die in de eerste les godsdienst van het academiejaar eerst vijf minuten zweeg en vervolgens brulde : “beste studenten. GOD IS WILD”.
Dit is de lector die oliebollen beloofde bij een correct antwoord op een moeilijke vraag, die een krijtje tegen je hoofd gooide als je zat weg te dommelen en die met uitgestreken en geïnteresseerd gezicht om een motivatie vroeg toen een student beweerde dat De Heideroosjes een sprituele betekenis in zich hadden.

Het mooist waren de lessen godsdienst waar hij het had over “De vrouw” en “De man”. Elk van deze interessante studieobjecten waren een semester lang onderwerp van discussie en de lessen waren opgebouwd rond sprookjes of mythen. Bienstman vertelde honderuit over De Wildeman en Blauwbaard, over de symbolische functie ervan en gaf ons terloops een boel levenswijsheid mee.

Blauwbaard, het sprookje waarmee hij De Vrouw analyseerde, las hij voor uit een boek dat De Ontembare Vrouw heet. Het exemplaar dat hij meebracht naar school was van zijn eigen madam en was -zoals dat heet- stukgelezen. Beduimeld, half in flarden en vol aantekeningen. Vrouwlief had dan ook gezegd “je gaat dat vuile boek toch niet meenemen naar school? Je studenten gaan ook wel een slecht gedacht krijgen van mij…”, zo vertelde Bienstman in het begin van de les.
Hij had het toch meegenomen, zei hij, en hij had er bij gedacht:
“Integendeel vrouw, ik neem het mee om jou te eren.”

Wij allemaal vertederd, natuurlijk.

Zaterdag, 7 jaar na datum, zag ik tot mijn verbazing een nieuwe uitgave van De Ontembare Vrouw liggen in de Fnac.
Ik heb het gekocht en nu ligt het op de salontafel te glunderen. En af en toe lees ik daar dan een stukje in.

Want wie wil er nu niet ontembaar zijn?

En al Van een ander

Een duiveltje verborgen in i.

Het is guur buiten, zoals dat heet: april en regen, lente en toch die kille wind. Voor het raam van mijn kantoor verzamelt een studente paniekerig een paar weggewaaide cursusbladeren terwijl ze -ietwat wanhopig- poogt haar paraplu onder controle te houden. Ik overweeg de lunch over te slaan (de zin om door dit weer een broodje kaas te halen op de hoek is niet bijster groot) maar een grommende maag en een licht gevoel in m\’n hoofd doen me toch besluiten dat het tot mij nemen van enig vast voedsel een absolute must is om de middag door te komen. Ik moet immers nog mensen nieuwe dingen leren en dat kan je niet zonder er kloek op te staan, zoals de oma altijd zegt.
Ik trek mijn jas aan, begraaf mijn hoofd diep in de kraag en duw de schoolpoort open.

Daar staan ze, op het trottoir voor de ingang. Ze zijn met drie en dragen allemaal dezelfde hemelsblauwe regenjas. Ze hebben een clipboard bij en een badge opgespeld. En ze klampen voorbijgangers aan. De meeste passanten wuiven hen licht geïrriteerd weg: geen wonder, eigenlijk, met dit hondenweer.
Eén van de jongens stapt met een vriendelijk gezicht op me toe en zegt: goeiemiddag juffrouw.
Nu hou ik daar wel van, dat ze me \”juffrouw” noemen: ik ben momenteel in die levensfase aanbeland waar winkelmadammen en bankbedienden al eens durven twijfelen tussen “mevrouw” en “juffrouw”. Het mevrouw-gevoel is echter nog steeds niet doorgebroken bij i. en ik ervaar het dan ook als lichtjes offensief om in die termen aangesproken te worden. Maar hij zegt dus juffrouw, en alleen al daarom groet ik vriendelijk terug.

Snel maak ik een inschatting van de situatie. Fondsenwerving, dat is duidelijk. Het is een beeld dat je het laatste jaar steeds vaker ziet in de stad: jonge vrijwilligers gaan op zoek naar geld voor non-profits, op de stoep. De ene organisatie gaat daarbij al wat verder dan de andere. Zo was er een poos geleden die dame in de winkelstraat die me vroeg of ik tegen AIDS was. Wat een vraag, dacht ik. Welk onmens is er nu voor aids? Ik zie het al voor me \”Hallo, ik ben i. en ik ben een fervent voorvechter van het HIV-virus. We vergeten maar al te vaak dat ook een virus bepaalde basisrechten heeft, en dat is zó oneerlijk.” Monty Python heeft er nix aan.
Bon, ze vraagt dus of ik tegen aids ben en ik zeg van jawel hoor. Ze laat me een petitie ondertekenen, tegen aids.Tuurlijk dat ik teken, gezwind en zonder twijfel. Vervolgens blijkt dat ik, door mijn handtekening, net 25 euro heb geschonken. Zomaar. Dat was zo lief van mij. En ik wist bovendien van niets.
Ik heb mijn naam opnieuw geschrapt en haar verteld dat ik tegen aids en tegen oplichterij ben. De trut. Maar ik dwaal af.
(more…)