En al

En al

Dat kan allemaal wel zijn ja.

Het is hier stiller dan ooit, ik weet het. En ook vandaag heb ik eigenlijk weinig zin om te schrijven.
We zijn net terug van twee dagen Brussel, een weekendje ons aangeboden door de toeristische dienst van Brussel zelve. Het was heel heel fijn, zo fijn dat het een eigen post verdient, maar ik ga die later deze week schrijven.
Hoop ik, want dat zou betekenen dat ik me eindelijk beter voel. Man, ik hoop het echt.

Weken geleden werd ik wat ziek. Het was net toen onze school werd doorgelicht, en ik bleef werken. Het was het laatste loodje in een semester dat eigenlijk te veel geweest is, om verschillende redenen die ik nu niet allemaal ga opnoemen. Want het is en blijft natuurlijk een job in het onderwijs en voor ik mijn zin heb uitgetikt, staat hier al het traditionele commentaar dat een job in het onderwijs eigenlijk niet werken is. Of dat er andere mensen zijn die harder werken. We weten allemaal hoe dat gaat. Enfin: lang verhaal kort ben ik de tweede helft van augustus grotendeels gestopt met ontspanning, slapen, eten en vrije tijd.

Maar het was dus eind november, ik werd ziek en ik werkte door. December werd niet rustiger, en ik werkte door.
En toen was er verdriet, een dochter die vragen stelde en ik die me nog slechter voelde. Een constante pijn tussen mijn schouderbladen en in mijn middenrug.
Ik ging naar de dokter, die zei dat we toch moesten opletten voor een ontsteking van het longvlies omdat ik al even liep te hoesten.

Ik kreeg antibiotica, ging naar huis en las een beetje op het internet. En ja, ik weet dat ik dat niet mag doen, en dat het internet geen dokter is, en dat kan allemaal wel zijn ja, maar ik doe het toch blijkbaar.
Sindsdien weet ik alles over longkanker en de bijhorende de lage overlevingskans, longembolie, uitzaaiingen en welke symptomen ik allemaal kan toeschrijven aan Vreselijke Ziektes.
Ik kreeg het bij momenten zo benauwd dat ik bijna niet kon ademen, maar ik heb geen idee of het door mijn ziek zijn komt of door de paniek die ik voel.
Van dezelfde paniek ben ik vorige zaterdag dan in één klap gestopt met roken, wat natuurlijk een goede zaak is, want hey al zes dagen niet gerookt, maar wat als ik eerlijk ben niet zo constructief is voor mijn emotionele stabiliteit. En ik druk mij redelijk eufemistisch uit dan. We’re talking diep ongelukkig gevoel, badend in zweet wakkerworden enzovoort enzoverder.

Eergisteren had ik weer wat koorts, dus nog eens naar de dokter en nog een lading pillen. De koorts is beter, ik denk heel voorzichtig dat ik misschien wat minder pijn begin te hebben in mijn rug. Maar over het algemeen is het hier al de hele vakantie miserie. En ik weet niet of het dus is omdat ik a) oververmoeid en emotioneel ben b) vreselijk ziek ben of c) gestopt ben met roken.

Of een combinatie van de drie, natuurlijk. Alleszins: tot ik me wat beter voel, zal het hier waarschijnlijk stillekes blijven. Ik heb het druk met wentelen in zelfmedelijden en cultiveren van paniek. Pardon.

En al

Niets belangrijks.

Het rare met even niks schrijven op een blog is dat het dan lijkt alsof de eerstkomende post belangrijk wordt. En omdat ge ook niet elke dag kunt schrijven dat het eigenlijk een beetje lastig is momenteel, dan stelt ge het nog maar eens een dag uit. Morgen misschien beter.

Maar eigenlijk is dat een illusie, natuurlijk, van dat belangrijk zijn. Alsof iemand van jullie plots zou zeggen: jamaar zeg, weeral een post over vermoeidheid, verdriet, en ze is daar weer met haar ziek zijn. Allez, het kan wel zijn dat jullie dat zeggen, maar ik heb er het volste vertrouwen in dat jullie dan gewoon wegklikken, eens oogrollen en gewoon iets anders gaan lezen.

Niks belangrijks te melden, dus, vandaag. En toch schrijven, maar dat is omdat ik iets belangrijks te vragen heb.

Ik wil namelijk graag weten wie volgens jullie de leukste Disney-vrouw is, zodat ik dan mijn kostuum voor oudejaar kan bijeenzoeken/huren/knutselen. Een prinses? En welke dan? Of een heks? Maar dan wel een knappe, natuurlijk. Zeg het eens, internet!

(Niet Sneeuwwitje, want het huishouden doen bij zeven dwergen, dat past niet bij mijn persoonlijkheid.)

En al

Als ik mijn eigen hoofd kon sussen.

Als het nacht is, dan lijken de bergen soms hoog, de laatste week. Onbeklimbare steile wanden, glad van gepieker.

Toen ik de kleine vorige week voor het eerst moest vertellen wat doodgaan is, kwamen de vragen. Vragen zoals alleen een vierjarige die kan stellen. Wanneer ik dan zou gaan, en hoe dat zou zijn. En zij, wanneer zou dat gebeuren. Ik suste en stelde gerust, ik had het over oud zijn en over hoe lang dat nog zou duren. Ze lijkt getroost en gerustgesteld.

Als het nacht is, dan lijkt mijn gesus plots bijna liegen. Omdat ge niks weet, en glazen bollen niet bestaan. Ik staar met open ogen naar het plafond en mijn hoofd bedenkt slechtnieuwsscenario’s. Hoe vertel je. Wat dan. Hoe moeten de dingen dan verder.
Ik weet dat dat niet helpt, en toch krijg ik mijn kop niet afgezet. Als ik dan eindelijk, na uren, in slaap sukkel, dan is het in rusteloze dromen.

‘s Ochtends vertel ik mijn lief over de nacht en de doemscenario’s. Ik lach zelfs een beetje, want als de dag begonnen is, is mijn hoofd een pak realistischer. Het daghoofd vindt het nachthoofd maar een gekke vrouw met een kop vol absurde muizenissen.
Mijn lief wrijft dan over mijn rug, geeft mij een kop koffie en zegt “Bruggen die ge neemt als het zover is. Daar nu over nadenken levert absoluut niks op.”

Hij heeft gelijk, ik weet dat, dus ik knik. Tot het weer middernacht is, iedereen slaapt en ik naar het plafond staar.

En al

Van die avonden.

De evidentie waarmee sommige mensen na maanden uw huis kunnen binnenwandelen, en het is alsof ze er gisteren nog waren. Hoe ge te druk aan het babbelen zijt, en het daardoor wel een uur duurt voor bloemen eindelijk water vinden. Hoe de avond dan gevuld wordt met royale porties gelach, met verhalen waarvan ge weet dat ge ze niet allemaal verteld gaat krijgen. Want ge weet dat tijd altijd een schaars goed is.

Tussen de gesprekken door lopen meisjes. Eerst met al hun kleren aan, dan verkleed als prinses, dan dansend op begintunes van televisieprogramma’s of ongeduldig stuiterend een ijsje afsmekend.
Afscheid nemen is tegelijk nog snel wat dingen vertellen. Een laatste koffie, nog een verhaal.

Hoe ge achteraf denkt dat zo’n avonden te kort zijn. En dat het zonde is dat kinderen een bedtijd hebben, als er morgen school is.

Intens dankbaar kan ik daar voor zijn, voor zo’n avonden. En voor zo’n maten.

En al

In vrede (bis).

In de living van mijn meme staat een lamp die zachtjes zoemt. Niemand schijnt het echt te horen, maar ik kan niet goed tegen gezoem. Ze hebben ze altijd al gehad, die lamp, al van toen in het oude huis.

Het oude huis, waar wij na schooltijd pudding met speculoos of boterhammen met lichtbruin suiker aten is al een tijd niet meer het huis waar we met kerst en verjaardagen verzamelen.
En toch. De essentie bleef hetzelfde: dezelfde meubels, dezelfde lamp, alleen in een kleinere woonkamer. Dezelfde platen in de kast. Dezelfde koffiekoppen op de tafel. Gewoon en stevig op gewone dagen, teer porselein bij feest.

In die essentie de kern daarvan: zij.
Zij in haar relax, centraal tussen het grote geweld. Kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen om haar heen, allemaal gewillig instructies volgend. “Toe, pak nog een sandwichke. Anders blijf ik daar mee zitten!”

Er was van alles altijd over bij mijn meme. Eten. Liefde. Bezorgdheid. Altijd genoeg voor iedereen.

Vanochtend was er vooral verdriet en stilte genoeg voor iedereen. Het zachte gezoem van de lamp bleek plots de troost van het vertrouwde.