En al

En al

Dingen.

– Kranten lezen. Alles, niet enkel snel de titels. Niet enkel snel het eerste blad, maar ook de lichte pagina’s en de lezersbrieven.
Het boek van Eva eindelijk uitlezen en er iets over schrijven.
– Met mijn voeten in het zand zitten aan zee, en koffie drinken met mijn ouders, terwijl de kleine kastelen bouwt.
– Naar de kapper. Zeggen tegen Kristof: doe maar iets. Blij zijn.
– Dingen uit mijn deauty-box opsmeren. Erover schrijven. Misschien een filmpje maken.
– DVDs kijken met mijn lief. Te laat gaan slapen, wegens nog een aflevering.
– Geen discipline hebben.
– Slapen.
– Alle adressen van het ecoplan uitproberen. Daar iets over schrijven.
– Facebookfoto’s kijken van vrienden. Van hun verse baby’s en hun vakanties.
– Verse baby’s bezoeken.
– Het programma van de Feesten bekijken. Uitstippelen en kiezen. Babysits vastleggen.
– Een trein nemen naar ver weg, waar de zon altijd schijnt. Dansen op een terras.

hashtag #inhaalbeweging

En al

Armoede.

Een post vol linkjes. Deze week was er een reportage op Panorama, over armoede in Vlaanderen. Ze ging recht naar het hart. Om te janken en dagen later nog kapot van te zijn. In de uren die volgden las ik op twitter en facebook veel verwondering. Mensen die oprecht verbaasd waren, en geen idee hadden dat het zo erg was, dat zo’n dingen kunnen in ons land vandaag. Ik was daardoor een beetje van de kaart, want dat betekent dat er zoveel dingen niet doordringen zolang ze geen fotogeniek gezicht hebben. De statistieken staan wekelijks in de kranten, en toch sluiten we er massaal onze ogen voor. Willen we precies niet zien wat die cijfers willen zeggen.

Ik hoop echt zo hard dat dit niet binnen een week weer ondergesneeuwd is door het nieuws van de dag. Dat het vanaf nu op alle agenda’s blijft staan, in de politiek en in de media. En bij ons.

Ik zie het gezicht van die cijfers in de gazetten haast elke dag, of ik dat nu wil of niet. Hier in mijn wijk en op de scholen waar ik kom. Ik voel dat ik mezelf constant moet verplichten om niet de andere kant uit te kijken. Verontwaardiging is soms zo vermoeiend, en soms zijn er gewoon geen eenduidige antwoorden. Een groot deel van mijn kennissenkring zit in de zachte sector, de meesten werken met kinderen of jongeren. Er wordt daar veel over gepraat, gediscussieerd en verontwaardiging en woede is bij velen een haast permanente beroepstoestand. Verbazing is dat nooit meer en met frustratie leert ge leven. Of ge verandert van werk.

Enfin. Ik ga er niet echt inhoudelijk over schrijven, ik denk dat wie hier af en toe leest ondertussen wel weet hoe ik naar die dingen kijk. Lees wel bij Frank en bij Wendy. Zij leggen dat perfect uit.

Wat ik wel wilde doen is een paar organisaties linken. Een paar zijn lokaal Gents, natuurlijk, want daar ken ik het meeste, maar er zijn een paar algemene bij ook. U mag aanvullen in de commentaren, en dan doe ik een update van de post. Veel mensen vroegen namelijk af zich af of ze iets kunnen doen.

Zeer lagedrempelig eerst. Als er dingen zijn thuis die bruikbaar zijn maar niet gebruikt worden: breng ze niet naar het containerpark, maar naar een kringloopwinkel of zoek uit wie in je gemeente aan vierdewereldwerking doet. In Gent kan je bijvoorbeeld ook bij Baby Nest terecht als je babyspullen hebt die niet meer gebruikt worden. In Antwerpen is er Moeders voor Moeders.

Je kan, als je daar tijd voor wil maken, een kindje begeleiden via Uilenspel of (ik denk dat dit enkel voor studenten is) via De Katrol. Bmlik is algemener, maar ook zij zoeken vaak vrijwilligers.

Check ook Armoede.be, de site van Welzijnszorg, waarop je heel veel lokale initiatieven vindt. En op de site van Netwerk tegen Armoede vind je een lijst van verenigingen in heel Vlaanderen, met links. Velen daarvan nemen donaties aan, hetzij geld, hetzij materiaal. En helpende handen.

En al

Bavo.

Lang geleden brachten ik lange uren aan de toog van een jeugdhuis door. We schrijven meetjesland, ergens in de jaren negentig. We waren 16 of wat en iedereen aan die toog kende elkaar al minstens 10 jaar. We zaten samen in de chiro, namen samen de 676 naar school in Gent. We zaten samen aan de toog en fietsten samen naar fuiven in de wijde meetjeslandse omtrek. Het leven zou nooit meer zo licht zijn als toen, maar zoals dat gaat is dat iets wat niemand op dat moment gelooft.

Ik denk dat u de hele jeugdhuisbende gerust als enigszins alternatief zou kunnen omschrijven. We kochten onze kleren in de Fans in oudburg, onze sjaals bij Ricky aan sint-jacobs. We betoogden al eens tegen racisme, en zelfs de meisjes droegen getten. Alles wat ik weet over muziek, heb ik in die tijd geleerd, van gasten die vier-vijf jaar ouder waren en achter de draaitafel stonden daar in het jeugdhuis. Daar begon mijn liefde voor luide gitaren, en voor optredens en festivals.

Er was die ene maat daar aan de toog, eentje van het punkerige soort. Tekende anarchismesymbooltjes op de voering van zijn jas, kleefde nie wieder faschismus-stickers op verkeersborden. U kent het soort, ongetwijfeld. Het groeit er een beetje uit met de jaren en de volwassenheid, dus misschien bent u gewoon het soort.

Wanneer de avond nacht werd, en de uren wegtikten, dan gebeurde het al eens dat er afgeweken werd van het normale gitaarmuziek-gamma. We hadden daar immers ook een collectie kleinkunst, en iedereen aan de toog had zijn eigen voorkeur en verzoeknummer. De punkermaat, die kon deze woord voor woord meezingen, wat hij steevast ook deed. Het hoort evenveel bij de soundtrack van mijn jeugd als Debaser van Pixies.

Da-ag Miel Cools. Gekke kabouter.

En al

Kleine handen.

(één)
Ze is ondefinieerbaar ergens tussen 14 en 17, al jaren. Ze woont in onze straat, met haar ouders en een broer. Ze lacht altijd, en ze ziet eruit alsof ze altijd hier heeft gewoond. Wat ook zo is, voor zover ik weet.

Ze draagt geen hoofddoek, kleedt zich zoals de meeste meisjes tussen 14 en 17. Haar vel is wat donkerder, ja. Maar voor de rest is er geen verschil met de blondine van om de hoek, of de half-Afrikaanse leeftijdsgenote twee huizen verder.

Op zondagavond belt ze geregeld bij ons aan. Of we kranten hebben die ze mag gebruiken. Ze moet prentjes zoeken namelijk, als huiswerk. De ene keer over bureaumateriaal, de andere keer over bejaarden. Altijd prentjes zoeken.
Als ze belt zijn er zoveel verschillende gedachten in mijn hoofd. Prentjes zoeken, alweer, begot, denk ik dan, en mijn ogen rollen automatisch bijna uit hun kassen over wat het onderwijs soms is.
Ook vertedering zit erbij, natuurlijk. Ik herinner me hoe ik tussen 14 en 17 jaar ook altijd op zondagavond nog mijn huiswerk moest maken. Veel kans dat als ik nu huiswerk kreeg, dat ik het ook op zondagavond nog moest maken. Trouwens.
Maar al die dingen worden steevast overschaduwd door machteloosheid. Omdat ze eigenlijk zeer onbeholpen Nederlands spreekt, voor een kind dat hier is geboren. Veel fouten. Ze moet woorden zoeken. Ik heb het daar zo moeilijk mee, ik kan het bijna niet uitleggen. Omdat het zoveel zegt over kansen, over omkadering, over onderwijs. Over deze buurt, over deze stad. Over ons collectief falen.

Vorige week was ze er op vrijdagavond. Er was een taak voor Engels, en een vertaling die niet lukte. Het onderwerp was vrij te kiezen, ze schreef over reizen. Of ik wilde helpen. Ik kreeg een Nederlands kladje, en de moed zonk in mijn schoenen, omdat ik een tekst las waarvan ik de taalvaardigheid zelfs niet in een niveau durf in te delen.
De moed zonk verder toen ik las dat het onderwerp reizen eigenlijk Mekka was, en wat dat betekent voor gelovigen.

Als ik nadenk over onderwijs, dan probeer ik steevast voor ogen te houden dat een leerkracht zich bewust moet zijn van het eigen referentiekader. Dat mijn waarheid niet die is van een ander. Mijn opvoeding, mijn achtergrond, mijn waarden zijn niet die van andere mensen, en dat is niet erg. Veroordeel niet, zie verschillen als kansen. Ik zeg het honderden keren, ook tegen mezelf.

(twee)
Ik loop in het park, op weg naar de bakker. Een jong koppel komt met een grote sporttas uit de struiken. Ze spreken me aan, in moeilijk Nederlands. Een lastige conversatie, met veel gebaren en gewijs later, over waar ze het OCMW kunnen vinden en over een vrouw die hun had aangeboden bij haar te slapen maar dat ze niet hadden kunnen bellen en haar niet vonden en dat het koud was geweest om te slapen waar de kinderen spelen, geef ik hen 3 euro. Om brood te kopen, want ze hebben honger. Ik wandel verder, en laat mijn hart in duizend stukken op de grond achter, daar in het park.
Op mijn terugweg kom ik de buurtwerker tegen. Ik vertel over het koppel in de struiken, hij weet over wie het gaat. Hij vertelt over de oplossingen die al gezocht zijn voor hen. Nachtopvang, OCMW, begeleiding. Over elke uitgestoken hand die niet aanvaard wordt; kansen die niet genomen worden. Over wanhoop aan beide kanten.

(drie)
Soms, als ik mijn handen op de wereld leg, zijn het kleine handen. (*)

(*)Vrij naar Jotie

En al

Alles gaat voorbij (ii).

Dra rijst voor haar aan ‘t horizon
lauwer en zegekroon
Dan schallen bazuin en klaroen
AG is kampioen.

Ik ben opgegroeid in een voetbalfamilie. Niet de kleuren die ik nu bij elke thuismatch draag, maar die andere ploeg waar in het Meetjesland wel wat supportersclubs van te vinden zijn. Het zijn daar al boeren, ja. Mijn nonkels hadden (hebben?) abonnementen, en op familiefeesten gaat het steevast over de pintjesliga.
Mijn vader en ik, wij zijn de buitenbeentjes. Voor ons geen rijke ploeg uit het Bokrijk van Vlaanderen, maar de schoonste indiaan van ‘t land. Slechts een paar kilometer van huis, dus dat is de logica zelve. Daarbij: nen echte Gentenaar is nen Buffalo, zo is dat maar net.
Sinds een paar jaar — de papa in aanloop van pensioen en eindelijk wat tijd voor zo’n dingen — hebben we samen een abonnement, en gaan we naar alle thuismatchen. Ik kan u zelfs niet beschrijven hoe ongelooflijk plezant dat is, voetbal in een stadion. Als u mij niet gelooft: u moet het zelf eens doen, echt waar. Want een spannende voetbalmatch op een kille winteravond, in een stadion vol gezang en met zoveel adrenaline dat ge de kou vergeet, dat is één van de meest ontspannende dingen die er zijn.

Ondertussen, zoals dat gaat met abonnementen, kennen we een hoop mensen daar in onze tribune. De gewone voetbalmaten (die ge echt wel kent, weetwel) buiten beschouwing gelaten is daar iets wat mij ongelooflijk fascineert: jarenlang zit ge naast, vlak achter, voor mensen waar ge een heel rare relatie mee opbouwt. Ge kent hun naam niet, maar ge weet wel of ze moeten werken volgend weekend. Ge weet niet wie hun vrouw is, maar wel waar ze op vakantie geweest zijn en wanneer. Soms valt er iemand vantussen, en dan zijt ge zelfs een beetje bezorgd. Hij zal toch niet ziek zijn of iets mankeren? En ge weet niet aan wie ge het zoudt moeten vragen, want ge kent die mensen eigenlijk niet. En toch ziet ge ze vaker dan sommige van uw beste maten.

Als ik daaraan denk dat het de laatste keer was dat we allemaal, in die formatie, samenzaten, donderdagavond, dan word ik wat melancholisch.

Donderdagavond was legendarisch. Met stip in mijn top 5 van meest memorabele voetbalavonden in ons vervallen stadion (Ook daarin: de 6-2 tegen Club, in de allereerste play-offs en die Europese keer met vreselijk veel sneeuw. En die keer tegen Feyenoord. En die keer tegen Club voor de beker, vorig jaar.), en aangezien het de allerlaatste was, zal die daar ook blijven staan, dat is evident.

Om u een idee te geven: hier.

Even na 22 uur was het gedaan, en veranderde alles. We gaan naar een nieuw stadion. Het logo kijkt naar de andere kant nu. En met dit laatste beeld nam ik donderdag afscheid.

fin.