En al

Beker.

Aan het verkeerslicht aan het park staat al maanden elke dag een meneer met een wat verfrommeld bekertje. Hij is dat ondefinieerbare ergens tussen 20 en 40, dat je altijd ziet bij mensen waarvan je hoopt dat ze niet op straat moeten slapen. Hij stapt moeilijk, heeft krukken en iets aan zijn voeten.

Als het licht rood wordt, dan strompelt hij langs de file, van auto naar auto. Het licht blijft lang rood daar, maar hij kan maximum een auto of drie doen. Hij stapt moeilijk. Hij houdt zijn bekertje aan het raam van je auto en kijkt smekend.

Als het gesprek over zo’n dingen gaat, dan hoor je mensen soms praten over georganiseerde maffia en over hoe bedelen niet gestimuleerd mag worden want dat het dan nooit weggaat. Dat bedelaars het eigenlijk best goed hebben, en gewoon ‘s avonds naar huis gaan, naar een warm bed en een bord eten. Ik zwijg meestal dan, want soms heb ik geen zin om te discussiëren. En misschien hebben ze wel gelijk. Ge kunt dat niet weten.
En toch. Ik kan dat niet geloven. Dat iemand elke dag aan een verkeerslicht zou staan en een beker zou ophouden naar een raam waarachter iemand zijn blik afwendt, als dat niet de laatste optie zou zijn. Mijn hoofd kan daar niet bij.

Dus geef ik het losse geld dat ik in mijn handtas vind. Soms wel drie keer per dag, want ik passeer daar veel, aan die lichten. Hij kent mij, ondertussen. Noemt mij mercichèremadam en glimlacht kapotte tanden.

En ik hoop dat de mensen gelijk hebben. Dat hij naar zijn huis gaat, ‘s avonds. Zijn krukken in de hoek gooit en gewoon kan stappen naar de tafel. En dat daar eten staat te wachten.