Wil iemand mij eens een schop geven, alstublieft? Dat ik moet verbeteren in plaats van mij bezig te houden met prutsen en muziekkwisjes?
Doemme, ik heb geluk dat er nog niet zoveel interwebs waren toen ik studeerde.
Alles van waarde is weerloos
Twee keer goed nieuws op de walki talki, op nog geen tien minuten tijd. In de colruyt. Waar een mens dus niet euforisch kan rondhuppelen zonder als een aap in de zoo bekeken te worden. We hebben boodschappen gedaan, jawel, maar ik denk niet dat we veel nuttigs meehebben. En zeker niet alles, maar beneveld van contentement kon ik gelijk niks meer bedenken dat we nodig hadden.
Vaag? Jawel. Ooit vertel ik wel eens meer, eerst nog een beetje wachten. Kerygma cliffhanger maat.
Vandaag is op zoveel gebieden een spannende dag, dat ik er deze nacht nauwelijks geslapen heb. Dat is een vuil trekje van mijn lichaam: als ik veel stress heb, met veel dingen bezig ben of verdriet heb, dan weigert mijn lijf te slapen. Ik ben sowieso *altijd* een slechte slaper, genre een keer of vijf wakker per nacht, slaapwandelen, praten in mijn dromen, nachtmerries. Maar als er dus stress bij komt, dan durft dat al eens uit de hand te lopen.
Zoals een paar jaar geleden. Toen heb ik maandenlang nauwelijks meer dan een paar uur per nacht geslapen. Overdag wordt een mens van de vermoeidheid dan zo emotioneel labiel dat zorgen steeds groter lijken en onoverkomelijk. Wat dan weer leidt tot nachtelijk gepieker. Vicieuze cirkel, quoi.
Uiteindelijk is dat geëindigd bij de dokter en is er een kuur met een inslaapmiddel aan te pas gekomen om de scheve situatie weer recht te krijgen. Ik heb dan ook slaaphygiëne aangeleerd gekregen: dat betekent dat je je lichaam fysiek voorbereidt op slaap met een heel ritueel, zodat het weet “Aha, straks gaan we dat rust-gedoe doen”. En dus ging ik maandenlang iedere avond in bad, waarna ik tien bladzijden in een chicklit las bij een kop thee, in badjas en pyjama. Dat werkt uitstekend, zo uw lijf misleiden.
De laatste drie jaar doe ik dat niet meer. Ik heb een zekere rust gevonden sinds ik ander werk doe, en een stabiel lief heb. Geluk is goed voor de mentale rust, zo blijkt. Alles lijkt goed onder controle, maar ik lag deze nacht te peinzen dat ik blijkbaar toch weer eens wat bewuster mijn stress moet loslaten. Iets om over na te denken, als vandaag voorbij is.
Ik heb me de voorbije dagen op het monster van mijn leven gestort: de administratie. Of het totale gebrek daaraan, eigenlijk.
Dat zit zo: maandenlang gooi ik alles op een stapel in mijn bureau. Opdrachten van studenten, absentielijsten, rekeningen, offertes voor verbouwingen, loonuittreksels. Ik gooi niks weg, dus het ligt er allemaal. Ergens op mijn bureau. Het leven is namelijk veel te druk om alles direct te ordenen, en verbeteren van taken: dat kan toch pas in den blok van de studenten. En dat is pas later.
Later, zoals in nu, dus.
Verbetertijd.
Puntenlijsten maken.
Examenadministratie.
En ook: alles verzamelen voor de belastingsaangifte. En kijken hoe het met die premies zit. En we hebben een jaar dit huis gekocht, dus de toestanden eens bekijken van verzekeringen en andere crap. Alles wat ik daarvoor nodig heb, ligt dus in mijn bureau. Ergens.
Sinds vrijdag heb ik er aan bezig geweest: stapeltjes, sorteren, selecteren, in dozen, in mappen, labels erop. En nu is alles perfect geordend. Het halve werk is gedaan.
Als u mij nu opnieuw wilt excuseren: ik ga efkes 350 taken verbeteren zie.
Mijn hart brak. Serieus.
Ik was vorig weekend zo kwaad op de witte kater, wegens heel ons huis stinkt nog naar zijn sporen, zelfs na twee keer grondig poetsen. Gisterenmiddag was de kattenvanger langs geweest met een lokkooi. Gisterenavond de hele buurt verwittigd, iedereen hield zijn poezenbeest binnen en er werden twee kooien geplaatst. Eentje op ons plat dak, eentje in de tuin van de buurvrouw. Allebei voorzien van geurend kattenvoer.
We weerstonden de hele avond het geklaag van ons monster, die niet begreep waarom hij niet buiten mocht (en die overigens deze nacht uit protest een plantenbak heeft uitgegraven in de living. Kattenbakken, daar doet meneer niet meer aan mee, dat weten we meteen ook). Deze ochtend bleek dan dat onze val onaangeroerd was, maar dat de witte kater in de kooi van de buren vastzat.
Om half negen stond de kattenvanger er weer en toen hij met de kooi buitenkwam, brak mijn hart dus. Frank Sinatra, zoals lief de kater noemt, zat als een zielig hoopje poes in de kooi en staarde mij aan. Rustig. Lief, zelfs. De kattenvanger had hem zelf kunnen strelen en bevestigde dat hij niet wild was, maar waarschijnlijk een verloren gelopen huisdier.
Als iemand in het Gentse dus een witte kater mist: u weet ons te vinden. Het is een schoon beest, hoewel hij wat mager is van de honger en wat wonden heeft van het vechten. Hij heeft denk ik iemand nodig om voor hem te zorgen.