Month: September 2013

kinderspam

Het is zover.

Het is zover. De dochter weet dingen die ik niet weet. Een deuk in mijn ego, want het kind is vier en laten we wel wezen: een vierjarige die u aftroeft in weetjeskennis, dat is redelijk triestig.
Ik kreeg gisteren dan ook spontaan visioenen van hoe ik in de Flair zit te bladeren en mijn nagels lak terwijl zij haar doctoraat in de moleculaire biologie verdedigt. Op haar twaalfde.

Het zit zo. We waren in Planckendael en ik had al een paar keer verwonderd gekeken toen ik dingen zei als “Kijk, een goudkopleeuwaapje” (gespiekt op het bordje, maar zwijgt dat) en zij met haar ogen rolde en “Dat weet ik, mama.” repliceerde.
Ik heb mij er trouwens ook al overgezet dat ze al sinds haar tweede verjaardag als ik enthousiast gil: “kijk, een eendje” verveeld antwoordt: “neen, een meerkoet.” Haar vader heeft voor zo’n dingen gestudeerd, en het kind neemt nu eenmaal zaken over tijdens lange natuurwandelingen op zondag. Ik kan daarmee leven. En dat zijn courante dagelijkse dieren.

(Hoewel ik nog steeds vind dat een meerkoet eruit ziet als een eend, maar dit terzijde.)

Op een bepaald moment staan we te kijken naar een paar zonnende katachtige roofdieren, daar in Planckendael. En ik zeg (want ik zie niet direct een bordje) dat ik niet weet of het een jachtluipaard of een jaguar is, dat beest. Waarop zij een blik op de dieren werpt en zegt: “Een jachtluipaard. Een jaguar heeft in de zwarte vlekken ook nog een bruin vlekje, een jachtluipaard heeft gewone zwarte vlekken.”

There you have it. Ik heb het net opgezocht en ze heeft nog gelijk ook. Het kan alleen maar bergaf gaan vanaf nu met mijn kennisautoriteit.


(Toen ze het niet hoorde zei het lief troostend: “dat is vast eens in een aflevering van Dora ofzo geweest.” Ik trek mij daar voorlopig aan op.)

eten

Mijn planning is mijn alles.

Vandaag las ik op de blog van Annelies iets over Smartmat, en ik dacht “hé, er zou een tijd geweest zijn dat ik dat interessant vond om ook eens te proberen.”

Maar dat was voor wij minofmeervegetariërs* werden.
Maar dat was voor we een kind kregen, die ook al eens eten moet krijgen, een paar keer per dag.

Dus is zo’n pakket niet zo’n goed idee. En eigenlijk ook niet echt nodig, want we krijgen dat hier na zoveel jaar huishouden allemaal wel georganiseerd.
Nu denkt u natuurlijk amai zeg, wat een huishoudtalent is dat niet, die i. en valt u bijna flauw van bewondering. Het is niet nodig. Het zijn allemaal truken, dat is al. Poetsen en strijken gebeurt door de engel die we twee keer per week in huis halen, en als de rommel echt uit de hand loopt, dan doet mijn mama al eens een zware opruimactie terwijl ze op de kleine past.

Eten en boodschappen, dat organiseer ik wel zelf. Dat minofmeervegetarisme is daar een zegen gebleken voor de boodschappenlast: ik sleep nu gewoon één keer per week een uitpuilende boodschappenkarreke groenten en fruit naar huis van de beste groentenboer van de stad en doe één keer om de twee of drie weken grote boodschappen met de collect & go. Klaar. Tussendoor moeten we af en toe eens een kleine boodschap doen (wat kaas, alle dagen een brood,…), maar dat is verwaarloosbaar qua tijdsinvestering.

En bovendien is er dus ook de de grootste truuk van allemaal. Het Weekmenu.

Het weekmenu is ondertussen al jaren mijn enige houvast in drukke tijden. Al jaren zorgt het ervoor dat ik zo weinig mogelijk naar de winkel moet en we betrekkelijk weinig brol eten. En al jaren wordt het weekmenu bijgehouden in hetzelfde soort boekske, en al jaren met een systeem van verschillende kleurkes. Zie maar, jaren geleden. En vandaag.

Nog steeds weekmenu.

* minofmeervegetariër, want we eten nog vlees of vis. Eén of twee keer per week ofzo. Als het toevallig zo past, of we er zin in hebben. Het is niet echt uit principe, het is gewoon zo gegroeid. Er was dagenzondervlees, en een zekere bewustwording. Sinds we minder vlees eten, voelen we ons alletwee fitter ‘s avonds, en daardoor ben ik anders beginnen koken. Vroeger bedacht ik eerst welk vlees we zouden eten en wat ik daar dan mee te maken. Nu kies ik de groenten of koolhydraten en vertrek daaruit. Het is anders, maar ondertussen even evident.

kinderspam

Nieuw.

Het is wat anders, die onderbouw. Dochter studeerde in juni af als gele Kanarie, en startte het nieuwe schooljaar als Kookaburra (tweede en derde kleuterklas). De lachvogel, is dat, en u kunt zich dat niet voorstellen hoe toepasselijk dat is.

Een nieuwe klas, een nieuwe juf, een nieuwe horde die ze vrolijk nam, in gezelschap van haar posse van vorig jaar. Een kwetterende bende meisjes, een handvol wildebrasjongens erbij. Ze zijn niet meer de grootste van de klas nu, maar opnieuw de kleintjes. Hun mond is er precies niet minder fel van geworden, bedacht ik deze week.
Niet dat het allemaal zo ingrijpend is: oude klas en nieuwe klas liggen naast elkaar. De grote kindjes zijn de grote kindjes van twee jaar geleden. En de kookaburra’s en kanaries zijn in de opvang en over de middag één leefgroep. Ze zegt zelf blij te zijn dat ze nu weer bij een aantal oudere vriendjes in de klas zit.

Eén teleurstelling heeft ze, dat B. niet in haar klas zit. Haar vriend die haar al op haar eerste schooldagen hielp als ze viel of verdriet had. Hij was vorig jaar een lachvogel, maar is twee jaar ouder. Naar het lager ermee, dus, en niet meer samen spelen in de gang. Hem mist ze. Het zijn taferelen van zwaaien naar elkaar aan het raam die mijn hart doen breken.

Voor de rest is het vooral anders in wat ze leert. Mijn god, wat leert ze veel. En snel. Alsof ze elke dag een nieuw liedje kent, iets nieuws kan tekenen, of verder kan tellen. Ze wijst letters aan die niet in haar naam zitten en benoemt ze foutloos. Ze weet meer namen van dino’s dan ik. Vanavond aan tafel legde ze uit hoe olifanten eten met hun slurf en dat er binnenin een olifant ook vanalles zit. Een maag en longen en darmen, voor het eten en voor de lucht.

Kinderen. Vaatjes waar je allerlei weetjes in kan gieten. Love it.

eten

Troost in een kom.

Als er zoveel moet gewerkt worden als de laatste weken, dan denk ik soms: al een geluk dat het herfst is en koud en regen, stel u voor dat ik in die heerlijk lange zomer elke dag van 6.30h tot 23.30h achter een computer moest zitten zwoegen. Want kijk, zo ben ik. Altijd de schone kant dan de zaak zien. De eeuwige optimist, mensen die mij in het echt kennen kunnen getuigen.

Kuch.

Werkelijk een mooi gegeven van de herfst vinden wij hier de terugkeer van de soep. In de zomer maak ik geen soep, dan maak ik slaatjes en pesto en dingenmettomaten. Maar nu mag het weer. Soep is gezellig. Soep is warm. Soep is lekker. Soep is troost in een kom. En iedereen heeft troost nodig in september.

Een paar dagen geleden had ik nog eens pasta met pompoen gemaakt (ze komen uit eigen tuin, nu, jawel) en er was een stuk pompoen over. Gisteren maakte ik iets met bloemkool, voor de kleine en mezelf, en dus was er ook bloemkool over. Dus ik dacht: ik gooi dat samen. Ik zocht wat rond en vond op Njam wat inspiratie. Ik was bijzonder content. Een recept dus, voor u.

(Ook een beetje omdat mijn leven voor de rest momenteel bestaat uit doelstellingen, functionele gehelen, GKWs en indicatoren. En daar heeft u vast minder aan dan aan een recept.)

Herfst! Eindelijk weer soep.

Bloemkoolpompoenvenkelzaadsoep (Goeie naam hé. Ik vind het ook.)
Beginsituatie: een ajuin, een wortel, stuk pompoen (schillen niet nodig), stuk bloemkool, teentje look, bouillonblokske, koffielepel venkelzaad, peper en zout.
Handelingsplan: snij groenten en look in stukken, gooi in pot op vuur met beetje boter, laat even sudderen. Voeg water en bouillonblokske toe en laat een half uur koken. Voeg op het eind venkelzaad toe, mix, en kruid met peper en zout.
Evaluatie: superlekker.

Ja!

Agnes heeft dat vanzeleven niet gekregen.

Ze staan samen in de self-bank. Geen koppel, dat zie je aan de ietwat beleefde manier waarop ze met elkaar omgaan.
Hij is oud, zij nog ouder. Waarschijnlijk buren. Zij staat aan het scherm. Hij kijkt mee over haar schouder en wijst dingen aan. Ze schuifelt wat ongemakkelijk heen en weer.

“Voila. En nu moet ge uw code ingeven, Agnes.”
“Code?”
“Ja, die vier cijferkes.”
“Ik weet van geen code”
“Ge hebt toch een brief gekregen, daar zat een code in.”
“Ik heb vanzeleven geen code gekregen. Er zat een brief bij die kaart, maar daar stond geen code in.”

Hij aarzelt.
“Normaal wel hoor. Hebt ge die brief nog?”
“Banienuk.”

Stilte.

“Ja. Zonder code kunnen we geen geld afhalen, Agnes.”
“Oh. Ah. Goh ja, ik zal morgen wel naar de bank gaan om mijn geld.”

Ik zeg u: dit soort scènes kunnen mijn weekend goedmaken.